Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men onderscheidt twee soorten, de groene en de gele. De gele is de lekkerste, maar gaat bij nat weer heel gauw tot rotting over.

Prei. In den regel teelt men slechts éen soort van prei: de winterprei. Die zaait men op het einde van Maart of in het begin van April op een wachtbedje, om ze later, als ze zoo dik als een potlood is, als tweede gewas uit te planten op een bedje, dat reeds meiknollen, raapstelen of iets dergelijks voortgebracht heeft. Met een schop — een kolenschop leent zich daar uitstekend voor — worden op elk bedje vier gleuven gemaakt ter diepte van 15 c.m., welke een paar dagen voor de planting ter dege met vloeimest begoten worden. Vooral op lichte gronden is dat noodzakelijk. Ook later mag het gieren nog wel eens een paar malen herhaald worden. Bij het schoffelen en wieden worden de voortjes langzamerhand weer gevuld, zoodat men in den herfst mooie blanke prei kan oogsten. De planten krijgen in de rij een onderlingen afstand van 15 c.m.

Men teelt vooral de dikke Leidsche en de dikke Brcihantsche; beide zijn sterk genoeg om den winter weerstand te bieden. Ook de prei van Rouen en die van Carentan zijn een paar goede soorten. Vooral de laatste kan kolossaal dik worden. Beide zijn nog al gevoelig voor de vorst en moeten daarom op een beschut plekje ruim halverwege ingekuild en verder met wat blad toegedekt worden.

Raapstelen. Voor raapstelen is het zaad van de witte Meiknollen het beste geschikt. Er zijn ook wel soorten van herfst- of stoppelknollen, die men voor dit doel gebruiken kan, doch dan dient men er zich van te voren wel van te overtuigen, dat het blad niet te ruw wordt.

Men dient voor deze teelt een bijzonder vruchtbaren grond te hebben. Anders worden de stelen taai en droog in plaats van malsch en sappig. Men zaait het zaad in de maand Maart of April op een luw en zonnig plekje, bij voorkeur op een zonnebarm. Een rijenafstand van 10 c.m. mag ruim voldoende heeten. Toch zaaie men niet al te dicht, omdat de blaadjes dan spoedig geel worden.

Rabarber. Een paar rabarberplanten moesten eigenlijk in geen enkelen moestuin ontbreken. Zij geven een heerlijke groente, die voor appelmoes niet- behoeft onder te doen. Veel mest en veel water is alles, wat zij vragen. Om de 5 a 6 jaar dienen zij

Sluiten