Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de gebruikelijke wijze eerst te kiemen te zetten. Het wordt daarna voorzichtig ingeharkt en de grond wordt stevig aangedrukt. Zoodra het blad ro a 15 c.M. hoog geworden is. kan het gesneden worden. De gewone fijne wordt algemeen geteeld. Een afstand van 10 c.m. tusschen de rijen is groot genoeg. Voor het gebruik heeft men slechts weinig planten van noode.

Selderij. K n o 1 s e 1 d e r ij. De knolselderij eischt een vruchtbaren bodem. Wie dien niet heeft, zal met de teelt ervan nimmer succes hebben. Het zaad ontkiemt zeer langzaam. Het is daarom wenschelijk. het eerst te kiemen te zetten en later den grond voortdurend vochtig te houden. Reeds op het eind van Februari of in het begin van Maart dient men het in een bloempot uit te zaaien, die binnenshuis voor een raam op het Zuiden wordt geplaatst. Einde Maart gezaaid, zouden de plantjes in Mei nog te klein zijn, om naar de bedden overgebracht te worden. Het zaad is zeer fijn. Men heeft er daarom slechts weinig van noodig.

Zoodra de plantjes verspeend kunnen worden, dient dit te geschieden. Ze komen dan in andere potten of in den kouden bak te staan op een onderlingen afstand van 5 c.M. Op deze wijze krijgt men korte stevige planten, die een massa worteltjes vormen, welke het wortelkluitje goed vasthouden. Daardoor kan het uitplanten op de bedden zonder eenige stoornis geschieden. Hier komen ze in kleine greppeltjes te staan om tegen de zon beschut te zijn. Bij droog weer is het gieten wel niet noodzakelijk, maar het bevordert toch den groei.

Men plant de rijen 40 c.M. van elkander, dus drie rijen op een bedje ter breedte van 1.20 M., met een onderlingen afstand van 50 c.M, in de rij. De grond tusschen de rijen kan nog productief gemaakt worden, door er in den beginne plantuien, sjalotten of kropsla te telen. De Erfurtsche en de witte reuzen zijn een paar goede soorten.

Selderij. B 1 e e k s e 1 d e r ij. Bij de bleekselderij geschiedt het aankweeken der jonge plantjes volkomen op dezelfde wijze als bij de knolselderij. Men piant ze ook in greppels van 15 c.M. diepte, waar eerst een laagje korte mest in gestrooid wordt. Deze greppels graaft men 40 c.M. van elkander, alzoo drie op een bedje ter breedte van 1.20 M. De planten krijgen in die greppels een onderlingen afstand van 20 c.M. In den loop van den zomer worden deze bij het schoffelen en wieden langzamerhand weer met aarde gevuld.

Sluiten