Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belemmerd zal worden. De onderlinge afstand hangt af van den vorm, dien men kiest en bedraagt voor recht- en schuinstaande snoeren 40 a 50 c.m., voor U-vormen 60 a 70 c.m., voor palmetcandelabres met vier takken 1.20 a 1.40M., en voor de palmetten meer of minder, naarmate de hoogte van de te bekleeden vlakte. Het zij nogmaals herhaald: tegen eene te diepe planting dient gewaakt en op het nazakken van den grond dient gerekend te worden. Om de boomen er langs te leiden, gebruike men geen latwerk, maar men spanne gegalvaniseerd ijzerdraad. De richting daarvan hangt natuurlijk geheel af van de richting der gesteltakken, die er langs geleid zullen worden. Men spant die draden op een afstand van 5 c.m. van den muur. Voor appelen, peren en pruimen kan men met een onderlingen afstand van 30 c.m. volstaan. Daartoe worden de draden óf over latten van 5 c.m. dikte 6f, wat nog beter is, over smalle ribben van ~j~ ijzer gespannen. Hoe meer het hout- en latwerk vermeden wordt, des te beter; allerlei schadelijke insecten en sporen van plantenziekten vinden er een schuilplaats in en dat moet zooveel mogelijk voorkomen worden Ijzer. werk verdient daarom de meeste aanbeveling.

Voor het aanbinden is de Fransche teen bijzonder geschikt. Men dient ze vochtig te houden, omdat ze anders te broos wordt. Altijd laat men eenige speelruimte, opdat de tak zich bij zijn groei ongestoord verdikken kan.

Voor het aanbinden van de jonge, nog kruidachtige verlengenissen gebruikt men bij voorkeur raffia. Deze is heel gemakkelijk in het gebruik en is bijzonder billijk in prijs. Het vruchthout is natuurlijk te kort om het aanbinden van noode te hebben. Over de behandeling daarvan zullen wij thans het een en ander in het midden brengen. Het is voor appelen en peren gelijk, onverschillig in welken vorm ze worden aangekweekt.

Behandeling van het vruchthout. Bij de behandeling van het vruchthout kan men twee termijnen onderscheiden: de zomersnoei en de wintersnoei. De eerste geschiedt in het zomerhalfjaar en bestaat hoofdzakelijk in het inkorten en wegsnijden der overtollige jonge scheuten, terwijl de wintersnoei voltooien moet, wat door den zomersnoei niet verkregen worden kon of vergeten werd. De eerste is dus hoofdzaak, de laatste bijzaak. Toch ziet men dikwijls het tegendeel gebeuren. Daar wordt de zomersnoei vergeten en alleen de wintersnoei uitgevoerd. Dit is dan ook in vele

Sluiten