Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangebonden en in de goede richting geleid. Evenzoo gaat het met de gewone twijgjes, die men eene lengte van 25 a 30 c.M. niet laat overschrijden. Ook zij worden onmiddellijk aangebonden, zoodra ze hunne lengte bereikt hebben. Want ze worden door dat aanbinden tevens in hunnen groei gestuit. Men bindt zooveel aan, als men maar bergen kan. Waar geen ruimte voor is, dat wordt weggesneden. In de eerste plaats behoo-

ren hiertoe de scheuten, die op de voorzijde der gesteltakken staan. Want zij hebben een bijzondere neiging om tot zware houtloten uit te groeien. En daaraan is geen behoefte, tenzij dan om, zooals zooeven werd opgemerkt, nieuwe gesteltakken te vormen. Ook wat aan den achterkant ontspringt — het is in den regel slechts weinig — moet wegvallen. Al de andere scheuten blijven behouden. Om ruimte te winnen en een gematigden groei te onderhouden, vlijt men ze zooveel mogelijk in de richting van den gesteltak, bijv. onder een hoek van 20 a 300, maar nimmer rechthoekig daarop. Hierin ligt tevens een vingerwijzing, om bij eiken gesteltak met het aanbinden aan het einde te beginnen en geleidelijk naar den voet voort te gaan. De jonge scheutjes laten zich dan veel beter schikken. Een scherp mesje, om desnoods weg te snijden, waar geen plaats voor is, kan hierbij niet gemist worden. Dat aanbinden geschiedt voor den geheelen boom niet in

Een twijg in den winter met blad- en bloemknoppen.

Sluiten