Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eens, maar naarmate de jonge scheutjes de gewenschte lengte bereikt hebben. Raffia leent zich hier uitstekend voor. Wat korter dan de hier genoemde lengte blijft, is eveneens

uitnemend vruchthout. Het behoeft natuurlijk niet ingenepen, maar moet toch zooveel mogelijk aangebonden worden. Zoo gaat men den winter tegemoet. Als het blad afgevallen is, ziet men misschien nog hier of daar een twijgje, dat ingenepen en aangebonden had moeten worden, maar dat over het hoofd gezien is. Van zijne lengte en de beschikbare ruimte zal het afhangen, hoe m;n er mee handelen zal. Half Maart begint de bloei. Doch eer deze een aanvang neemt, verricht men den wintersnoei. De ronde knoppen, die bloem zullen geven, kunnen van de spits toeloopende oogen, die scheutjes herbergen, gemakkelijk onder-

Veel bloem- scheiden worden. De lange twijgjes worden nu knoppen. zoo ver ingekort, dat zij al hunne bloemknoppen blijven behouden, terwijl boven den bovensten bloemknop nog een spits blad-oog moet blijven, dat den saptrekker geven zal. Voorzichtigheid is hierbij een eerste vereischte, want bij de minste aanraking stoot men de knoppen af. Zoo wacht men den bloeitijd af en als deze voorbij is, dan zal het blijken, dat meestal slechts enkele takjes hunne vruchten hebben behouden. Die, welke geen vruchten dragen — en dat zijn er vaak heel wat — worden, voor zooverre er geen gevaar bestaat, dat er leege plekken in den boom zullen komen, bijna tot beneden toe ingekort. Alleen de twee onderste oogen, die nieuwe scheutjes zullen geven, laat men ze behouden. Die schieten in den loop van den zomer door, worden op eene lengte van 25 a 30 c.m. ingekort en aangebonden en geven het volgende jaar weer hoop op vrucht. Met de twijgjes, die vrucht dragen, handelt men anders. Zij worden zóo ver ingekort, dat boven de bovenste vrucht nog een scheutje blijft. Men noemt dat den saptrekker. Zoodra het in den loop van den zomer vier volwassen blaadjes heeft, wordt het ingenepen en op die lengte gehouden. Ook de andere scheutjes op het blijvende deel van het vruchtdragende takje houdt men kort. Alleen de twee onderste laat men doorgroeien. Zij worden op 25 a 30 c.m. ingenepen en aangebonden, want zij moeten tegen het volgende

Sluiten