Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het planten geschiedt het best in het voorjaar, als de groei begonnen is. De beide oogen, die behouden bleven, geven dan meestal krachtige scheuten. Alleen de krachtigste blijft behouden en wordt van tijd tot tijd aangebonden aan een gegalvaniseerd

ijzerdraad, dat men langs den

muur gespannen heeft, zoodat er nog eene ruimte van 5 a 8 c.M. achter open blijft. Alle andere scheuten, die mochten opkomen, worden weggebroken. De behouden scheut wordt op eene hoogte van 1 M. a 1.25 M. ingenepen. Dat stuit tijdelijk zijnen groei, hetgeen vooral de onderste oogen ten goede komt. Later schiet hij wel weer door, maar ook dan kan het geen kwaad, om hem nogmaals aan zijnen plicht te herinneren. Zoo komt de herfst. De heele plant heeft nog slechts een enkelen stam, ter hoogte van 1 M. a 1.25 M. ruim. Het hangt er nu van af, welken vorm men den toekomstigen boom wil geven. Het rechtstaande snoer is het gemakkelijkst eti het vruchtbaarste tevens. Daartoe wordt deze stam zoover teruggesnoeid, dat hij slechts drie flinke oogen blijft behouden, waarvan

het onderste zich 40 c.M. boven den grond bevindt. Het bovenste oog geeft dan het volgend jaar de verlengenis, die rechtop geleid en aangebonden wordt en op eene hoogte van 1 M. telkens weer ingenepen wordt. De beide andere oogen geven twee vruchttakken, één naar links en één naar rechts, die, zoodra ze 8 volwassen bladeren en dus een lengte van ± 60 c.M. bereikt hebben horizontaal aangebonden en steeds op dezelfde lengte gehouden worden. Alle andere scheuten, die op het stammetje mochten ontstaan, worden weggebroken. Voor het aanbinden van deze horizontale vruchttakken wordt ter weers-

Een rechtstaand snoer.

Sluiten