Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet alleen door de bescheiden afmetingen, waarbinnen zij blijven, maar bovendien door hunne vroeg intredende vruchtbaarheid. Waar men spoedig vruchten oogsten wil, daar zal men ze planten. Zelfs in den groentetuin zijn ze niet geheel en al misplaatst. Men kweekt ze het beste in den struikvorm. Als men den grond maar geregeld schoffelt, dan zal men van het onkruid nooit veel hinder ondervinden. Vooral het kweekgras kan een lastige vijand zijn. Overal, waar het optreedt, is dat een aansporing om de wortelstokken uit te graven en met zorg te verzamelen. Om het vormen van grondscheuten bij de bessen zooveel mogelijk te voorkomen, dient men bij de planting goed toe te zien, dat zich onder aan de stammetjes, op het gedeelte dat in den grond komt te staan, geen oogen vertoonen. Want zij zijn een bron van zorgen. Men plant de struiken op een vruchtbaren grond 1.50 M., op een minder vruchtbaren 1.25 M. uit elkander. Het beste plant men ze dus op bedjes of op rabatten van deze breedte. Bij de vorming van de kroon dient men er voor te zorgen, dat deze van binnen luchtig blijft. Immers, bij oude struiken, die van binnen vol met takken zitten, leert de ervaring, dat ze slechts aan den omtrek dragen. De enkele vruchten, die er binnen in mochten komen, zijn wrang en klein. De hoofdtakken moeten dus aan den omtrek staan en dan nog niet eens dicht opeen gedrongen. Het vruchthout is gemakkelijk te herkennen. Eenerzijds bestaat het uit de kleine vruchtspiesjes en anderzijds uit korte takjes, die eene lengte van 10 a 12 c.M. niet overschrijden. Daarop is ook de snoei gebaseerd. Gedurende den zomer laat men de verlengenissen der hoofdtakken doorgroeien. Alle andere scheuten, die op deze hoofdtakken ontspringen, worden ingenepen, zoodra zij eene lengte van 10 a 12 c M. overschrijden. Immers: zij moeten het vruchthout leveren. Nu is deze bewerking gedurende den zomer niet zoo moeilijk uit te voeren, als men oppervlakkig wel denken zou. Omdat de struiken van binnen luchtig gehouden worden, kan men de hoofdtakken gemakkelijk tot beneden toe volgen, terwijl het aan den buitenkant geenerlei moeilijkheid biedt. En bij de kruisbessen behoeft men zich voor de scherpe dorens niet al te ongerust te maken. De bladeren geven in den regel beschutting genoeg, om tegen eene al te nauwe aanraking gevrijwaard te zijn. Wanneer men binnen in de struiken met het innijpen begint, dan kan men licht zien, welke topscheuten als verlenge-

Sluiten