is toegevoegd aan uw favorieten.

Aardbeien en frambozen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij willen er met nadruk op wijzen, dat de aardbei 'n degelijk

losgemaakten bodem en '11 overvloedige bemesting verlangt.

* *

*

Het verkrijgen van jonge planten. De .aardbei laat zich heel gemakkelijk zaaien, men krijgt dan mooie, krachtige, goed dragende planten. Het zal daarom velen allicht verwonderen dat men zulks niet meer doet. Het bezwaar is echter, dat de aardbei zeer slecht uit zaad echt terugkomt en gewoonlijk door zaaien veel minder wordt; de planten uit zaad verkregen, geven kleinere en minderwaardige vruchten. Daarom kan als regel gelden, dat de grootvruchtige soorten niet door zaad worden voortgekweekt.

Wil men zulks toch doen, dan moet worden zorg gedragen, dat geen kruisbestuiving met minderwaardige soorten kan plaats hebben. Past men een kunstmatige bestuiving toe, met het doel een betere variëteit te krijgen, dan moet de bevruchte bloem nauwkeurig geïsoleerd worden; zoodoende kunnen natuurlijk ook grootvruchtige soorten zonder bezwaar uit zaad worden gekweekt. Overigens worden dan ook alleen de maandbloeiers of kleinvruchtige soorten uit zaad voortgekweekt, omdat hier geen kruisbestuiving kan plaats hebben niet kleinere soorten, of 't zou moeten zijn met de boschaardbei, die maar sporadisch voorkomt. Men heeft met de maandbloeiers dus met zaaien wel kans vooruit, doch zeer weinig kans van achteruit te gaan. Aangezien het zaad maar eenige maanden zijn kiemkracht behoudt, moet het spoedig na liet rijpen worden uitgezaaid. Men plukt daartoe in het laatst van Juni de mooiste, gaafste en grootste vruchten af en doet ze in een pot met zand. dat middelmatig vochtig is. Die pot wordt daarna op een droge plaats gezet. Na drie of vier weken is het vleesch voldoende verteerd, zoodat men door wrijving het zaad gemakkelijk met bet zand kan vermengen. Het zaad, of liever de vruchtjes zitten op een min of meer verdroogd vlies, zoodat men moet opletten, dat ze goed met het zand vermengd worden. Men kan natuurlijk de vruchtjes ook op een andere wijze van het vleesch scheiden, b. v. door uitwasschen in water; ons bevalt echter de eerste manier het best. De aldus verkregen vruchtjes zaait men in een kouden bak of in zaadpannen, die met een glasplaat worden gedekt. Als grondmengsel gebruikt men 3/< fijne bladaarde en '/« mestaarde of lichten tuingrond. Het zaad wordt maar zeer weinig afgedekt met bladaarde, terwijl het geheel vrij stevig wordt aangedrukt. Het raam wordt vervolgens op den bak gelegd en bij felle zon geregeld gelucht en trouw bespoten. Schermen doet men niet, want als de plantjes later boven zijn, zouden ze daardoor te teer worden, en bij een klein verzuim direct verbranden. Bij langdurige felle zon moet men het verbranden liever tegengaan door luchten en spuiten. Na twee a drie weken zijn de plantjes al flink boven en moeten ze allengs meer gelucht worden. Begin September in het goed ze te verspenen, wat, daar de plantjes nog klein zijn, voorzichtig moet gebeuren. Daarvoor wordt een nieuwe bak gereed gemaakt met '/2 bladaarde en 13 mestaarde; ze komen hierin te staan op afstanden van 10 a 12 c.M. Spoedig zijn de jonge planten opnieuw aan den groei, en worden is het najaar al flink sterk. Gedurende den winter wordt de bak zoc^ goed mogelijk vorstvrij gehouden en in het voorjaar reeds vroegtijdig gelucht, opdat de planten niet te spoedig aan den groei gaan. Tegen eind Maart worden de bedden in gereedheid gebracht, en kunnen de aardbeien wor-