Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den laten avond van Vrijdag 18 November 1904, omstreeks te elf uur, verloste deze hem uit zijn lang en pijnlijk lijden, met groote gelatenheid gedragen.

Amsterdam en het Amsterdamsche volk heeft zijn heengaan oprechtelijk betreurd. Er is blijk van gegeven, in schrift, gedicht en in beeld. Velen hebben hem gevolgd tot aan het graf.

De weerklank van oud-Amsterdam is verstomd!

Het Weekblad: De Amsterdammer, waarvan hij met J. de Koo en de firma van Holkema & Warendorf eigenaar was, waarvan hij vele jaren met J. de Koo de redactie vormde, waaraan hij met hem, met Dr. E. D. Pijzei en Johan Braakensiek steeds vriendschappelijk saamgewerkt, waarin hij zijn eerste Amsterdamsche schets: Mie, de porster en zijn laatste schetsen: Toevlucht voor Behoeftigen, het gebouw op de Passeerdergracht, en Op Koninginneverjaardag geschreven heeft, wijdde aan hem, den goeden en betreurden vriend, bijna een geheel nommer, om hem te gedenken als mensch, als knaap, als schooljongen, als vriend, als schrijver, als Amsterdammer.

De verschijning van dit nummer bewees — alsof dit nog noodig ware — hoe populair Justus van Maurik was, niet alleen in Amsterdam, maar in het geheele land. De oplaag, nog grooter dan gewoonlijk, was onmiddelijk uitverkocht. Aanvraag op aanvraag naar nummers kwam in; duizenden exemplaren waren er te kort.

Deze sympathieke belangstelling werd aanleiding tot de saamstelling van dit boekje, waarin schier den geheelen inhoud van het „Justus van Maurik-nommer van „De Amsterdammer" is opgenomen, en waaraan tal van illustratiën, en herinneringen aan en van den schrijver zijn toegevoegd, met eene reproductie van het door Johan Braakensiek, groote welgelijkende portret,

Sluiten