is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven van Justus van Maurik

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toren zien ; 's morgens vroeg, als hij wakker werd, 's avonds voor hij slapen ging. De toren was zijn vriend ; hij zag met zekeren vertrouwelijken eerbied naar hem op; vooral, als 't nacht werd en de maan helder achter de donkere spijlen en klokken scheen, zoodat het leek alsof de geheele toren een oogenblik in brand stond, vond hij hem prachtig. Als 't' waaide, kreeg hij een gevoel van medelijden met „zijn" toren, tegelijk met een soort van bewondering, omdat hij zóo kranig bleef staan, terwijl de masten der schepen in 't Damrak heen en weer zwiepten, de blokken en kabels akelig piepten en knarsten, en de boomen aan den wallekant hun takken angstwekkend bewogen. Voor hem had in dien tijd de toren een ziel — hij beschouwde hem als een wezen, niet als een ding, en in zijn verbeelding zag hij hem dan grooter en grooter worden. Soms geloofde hij, dat de toren alles zien kon, wat in de stad'voorviel, dat hij deelnam in 't lief en leed, wat onder hem gebeurde, tegelijk heerschend en eerbied afdwingend.

Voor den torenwachter voelde hij een ontzaglijke vereering, hij was voor hem een soort van hooger wezen.

Justus van Maurik werd zeer godsdienstig opgevoed; eiken morgen bij het ontbijt werd er in het gezin uit den bijbel gelezen, en 's avonds voor hij slapen ging, moest hij bidden :

„Ik leg mij om te slapen neder. — Goede God, die altijd waakt, — wil mij in uw gunst bewaren, als het kwade mij genaakt," — enz.

Onwillekeurig begon Van Maurik zich „Onze lieve Heer" als een erg voornaam, heel hoog gezeten soort torenwachter voor te stellen, en, van den weeromstuit den torenwachter als een klein' „Onze lieve Heertje."

Zijne moeder had hem immers als heel klein kind al verteld: Ventjelief, je kunt, o, zoo gerust gaan slapen, want niet