Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet enkel met spek, maar dikwijls met heele varkens, dan zeiden we maar: „nou Jussie, da's 'n moppie!

— Waarachtig zóó is *t" — zei hij dan wel, maar lachte en nam onzen twijfel maar niet te hoog op.

Ik heb hem altijd bevonden veel, heel veel voor anderen over te hebben en z'n ouwe vrinden nooit te vergeten, en te veel om ze te helpen, was 't 'm nooit."

Gerrit Portielje is de intiemste vriend van Justus van Maurik geworden en lang gebleven.

Hij had — het is reeds vermeld — evenals vriend Batelt hem leeren kennen op de teekenschool van Tétar van Elven, in het Nutsgebouw. Om zijn levenslust en kostelijke grappen trok hij allen toch zich. Portielje en van Maurik's eerste vriendschap sproten voort uit beider pleizier in het maken van poppenkasten en al wat er toe behoorde. Voor ooms en tantes, neefjes en nichtjes vertoonden zij die.

De zilveren bruiloft van een oom en tante van Gerrit Portielje was de aanleiding, dat Justus van Maurik een tooneelstukje schreef, zijn eerste, genaamd: Het Gelegenheidsgedicht of Veel hoofden, veel zinnen, naar de mode dier dagen, een soort vaudeville, een blijspel met zang in éen bedrijf.

Van de poppenkast naar het tooneel is de weg niet lang. Het verschil van jaren bepaalt dien. Toen Justus twaalf jaar was, namen zijne ouders hem meê naar de Salon des Variétés van Boas en Judels — thans niet meer bestaande en in een café herschapen. — Justus zag daar Judels spelen in: De schoolmeester of het examen ten platten lande, een tooneelstuk met zang, dat in die dagen heel Amsterdam naar den kleinen schouwburg dreef. Een wondere wereld deed zich daar voor hem open. Het was zijn eerste komediegang. Niet aan laat

Sluiten