Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tooneeltje, Iaat ons zeggen, tusschen een opgeschoten jongen en een dienstmeid of tusschen een paar bedistelende oude dames; als Hildebrand, van Maurik en Falkland, het tegelijker tijd zien, zoo zal de wijze van bekijken al dadelijk het kenmerkend onderscheid naar voren brengen. De glimlach van Hildebrand is een gemoedelijk-voorname, de toon, indien hij er zich in 't gesprek voegde een afdalend-vriendelijke; hij blijft in alles zichzelf, iemand van beter gehalte, en stevig stavast, die zelf nooit een onvertogen woord zegt, en op die wijze onberispelijk het tafereeltje op 't papier zet. Zijn sujetten worden menschen van geringer orde, van mindere waarde, waarover hij vaderlijkbeschermend of edel-aardig-afkeurend spreekt.

Falkland is in dat opzicht zeker beter. Hij wijst niet zoo strak aan, prijst niet, keurt niet af, maar o wee, hij drijft den spot met zijn personen. Als hij het tooneeltje ziet, beschouwt hij het dadelijk als kopij, wat op zichzelf niets zegt, want ieder schrijver doet dat op zijn beurt, maar hij beziet het als kopij, zonder iets anders erbij te willen voelen. De diepere fond, de schrijnende oorzaak, die zich meest achter elk kluchtig geval verbergt, ontgaat hem mogelijk niet, maar hij wil die niet zien. 't Is kopij meer niet. Voor hem zijn al die menschen bourgeois, ook al zijn ze droever eraan toe dan de minste arbeider, en zijn sujetten wil hij graag bespottelijk maken.

Stelde zich nu Beets boven zijn onderwerpen; trekt Falkland zijn sujetten het narrenpak aan, om ze koud, gevoelloos bespottelijk te maken; van Maurik, literair de minste van de drie, blijkt wel de echtste te zijn in zijn opname en weergave. Zijn onderwerpen hebben zijn eerlijke liefde, zijn volle toewijding. Hij ziet lachend het tooneeltje, dat Beets van uit de hoogte bezag en Falkland met spotoogjes aankeek, beziet het met bijna broederlijke liefde.

Zijn werken zijn gelezen, als 't ware verslonden. Jaren lang was hij de populairste schrijver. Tot ineens reaktie kwam. In 't begin te sterk vergood, werd hij in de laatste jaren miskend, — en mij dunkt, dat miskennen moet hem sterker hebben gehinderd dan het overmatig lauweren hem zal hebben verblijd. Zeker, er is verschil tusschen een naam verkregen door de gunst van 't lezend publiek en de moeielijk-verkregen reputatie, die strompelend komt over den disteligen weg van ons o, zoo nuchter-scherpe, wreede kritiek, — een onderwerp op zichzelf

Sluiten