Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezwaar want men betaalde voor verpleging te Veenhuizen slechts ƒ35.— per jaar.

't Scheen dan ook over het algemeen, dat het verblijf in alle weeshuizen te dezer stede niet zeer begeerlijk was.

In 1858 werd met regenten van het Evangelisch Luthersche en Burger-weeshuis geconfereerd: <tot het beramen van middelen, om het wegloopen uit de stichting tegen te gaan.»

Wat men besloot, de geschiedenis vermeldt het niet.

In het daarop volgende jaar werden in ons Weeshuis, twee regenten en Iwee regentessen in'tbizonder belast, met de handhaving van tucht en orde. Dit comité stelde rijloopers en rijloopsters, wij zouden zeggen, hoofden van kleine afdeelingen aan, die op hunne beurt hadden toe te zien, op de handhaving van uitgevaardigde bevelen en die voor de orde op hunne afdeelingen, werden aansprakelijk gesteld.

Men meende dus en, wie zal het laken, de tijden waarin het geschiedde in aanmerking nemende, te kunnen regeeren door straffen alleen.

Dit spreekt o. a. uit het besluit, om, en dat scheen in die dagen heel wat te beteekenen, de jongens, die voortdurend zonder werk waren, «de ledigloopers», geen kermis te laten houden

Droevig vinden wij de afwijzing van het verzoek van de werkjongens, om 's winters, vooral 's morgens vóór 't naar liet werk gaan, een warme kop koffie te mogen ontvangen.

Daarentegen verblijdend het besluit om, wij schrijven 1860, de meisjes van een borstrok te voorzien, doch daarentegen wekt deze bepaling bevreemding:

Sluiten