is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige brieven aan een vriend te Jeruzalem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22 Februari 1878.

Waarde Vriend !

Begrijpelijk is het mij, dat gij in de oude hoofdstad van het volk Gods, te midden van tallooze herinneringen aan een schoon verleden, begeerig zijt iets van uw geliefd Nederland te vernemen. De indruk, dien ge daar ontvangt, van den onuitsprekelijken jammer, die het gevolg is van ontrouw en verlating van des Heeren wegen, en het licht dat daar voor u opgaat over menige plaats uit het profetisch woord, de ruïnen deiChristenkerken van het Oosten, de versteening van de overblijfsels des Christelijken geloofs, en daarbij de gedachte aan de Christenkerken van het Westen, aan de crisis waarin die kerken zich op 't oogenblik bevinden, en het zorgwekkende verschijnsel, dat die kerken hoe langer zoo meer als conservatieve en niet meer als baanbrekende kracht in de Europeesche samenleving met moeite en strijd zich handhaven ; dat alles, ik kan het begrijpen, geeft u een onuitputtelijke stof van overpeinzing. De vrees, dat de ongeloovigen te eeniger tijd van het Westen zullen maken, wat het Oosten onder hunne heerschappij geworden is, is niet geheel ongegrond. Natuurlijk denk ik niet aan de Turken. Er zijn in de Staten van ons werelddeel ongeloovigen, die erger zijn dan de Turken. Ongeloovigen, die noch aan God, noch aan zijn profeet gelooven. Wat in onze kindschheid door enkele zwartgallige menschen gefluisterd werd, wordt nu reeds van de daken gepredikt, de toeleg namelijk, om het Christelijk geloof uit te roeien. Dat is de hoofdgedachte van den tegenwoordigen tijd. Radicale volksmenners spreken dit vrij uit. De gematigden, de lieden die er veelal doekjes omwinden, ontkennen echter dien toeleg. Niet het Christendom, zeggen ze, willen we uitroeien, maar de verbastering van het Chiistendom, door Apostelen, Kerkvaders, Conciliën, Hervormers