Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zelfs onze geliefde en hooggeachte van Velzen heeft, in zijne laatste rectorale oratie, met de hem nog altijd eigene soberheid en keurigheid van stijl en uitdrukking, het ondubbelzinnig uitgesproken, dat de preek niet de eenige plaats in de openbare samenkomst der gemeente mag blijven innemen. Wel moet de preek de eerste plaats behouden, maar nevens de hoofdbijeenkomst, moeten er andere, meer vrijere samenkomsten der gemeente zijn. In die samenkomsten moet meer dan één het woord voeren. Korte toespraken, ordelijke samensprekingen over allerlei onderwerpen, die op het Christelijke leven en op de dingen van het Koninkrijk Gods betrekking hebben, moeten gehouden worden, alles onder leiding en opzicht van de Bisschoppen of opzieners der gemeente. Heerlijk, niet waar? Hoe kan onze ziel naar zulk een gemeentelijk leven verlangen! Hoe wenschten wij alzoo de gemeente te zien, niet buiten, maar in het hart der maatschappelijke ontwikkeling, en dat zich hare jeugd vernieuwde gelijk de arend !

Met deze ontboezeming sluit ik dezen reeds te langen brief.

12 April 1878.

Waarde Vriend !

Vrij algemeen is de meening verbreid, dat wij, Christelijk Gereformeerden, of gelijk men ons nog gewoonlijk noemt, afgescheidenen, in veel beter conditie verkeeren dan voor dertig, veertig jaren. In vele opzichten is dit dan ook boven alle tegenspraak zeker. Doch, wat het wezen der zaak aangaat, is de afkeer van de scheiding niet minder sterk, dan toen wij kinderen waren. Zoodra iemand uit eene deftige familie tot onze Kerk overkomt, is hij, in de meeste gevallen, dood voor de maatschappij, men slijt hem voor gek, en, als er toch niets aan te doen is, laat men hem loopen. Ik zou verschillende gevallen kunnen mededeelen, die u verbazen zouden vanwege de vijandschap, den ingekankerden haat met welke men tegen onze Kerk vervuld is. Menig jong mensch wordt daardoor op een zware proef gesteld, en wat men gezien heeft van sommige kinderen der eerste afgescheidenen, die tot den deftigen stand

Sluiten