is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige brieven aan een vriend te Jeruzalem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Christelijke pers gesteund is, is hun de zaak minder veiblijdend. Ik kan mij in hunne zienswijze niet vinden, en behoor onder degenen die zich verblijden. Dat Standaard en Wageningxch Weekblad Donner zoo krachtig aanbevolen hebben, beschouw ik als een bewijs van toenadering en waardeering, vooral na de artikelen van Geeteha, dubbel te waardeeren.

Ware Donner een man van een zwak karakter, men zou aan politieke berekening kunnen denken, om ons afgescheidenen te winnen of voor een volgende verkiezing te behouden. Maar daarvan kan geen sprake zijn. Donner heeft tegenover de Hervormde broeders nooit zijn gevoelen onder stoelen of banken gestoken, en heel 't land weet wie hij is. De Roomschen hebben hem gekozen, omdat zij vertrouwen in hem stellen en weten dat hij voor zijne taak bekwaam is. En zij hebben t gedaan, ook wetende dat daar waar zijne beginselen met de hunne in strijd zijn, hij de zijne getrouw zal blijven. Daar zijn de Hervormde broeders ook zeker van, en, voor zoover wij op een inensch vertrouwen kunnen en mogen, bestaat daar bij ons ook niet de geringste twijfel voor.

Daarom verblijden we ons in deze zaak. Zoo als gij weet heb ik voor eenigen tijd gevraagd om onderricht over deze vraag: waarin toch eigenlijk het principieel verschil tusschen ons en de Waarheids-Vrienden bestaat en wat wij, vasthoudende aan art. 36 der Gel. Bel. toch eigenlijk doen moeten, als we niet met anti-revolutionairen mogen samenwerken op politiek en maatschappelijk terrein. Een antwoord heb ik nog niet gekregen, en de geachte schrijvers gaan voort met spreken over //ons beginsel." Geeteha heeft voorgesteld dat de Docen ten te Kampen voortaan de Candidaten voor de I weede Kamer zouden stellen, die wij moeten kiezen. Mij is dit natuurlijk wel. Toch denk ik, zijn daar nog al moeilijkheden aan verbonden. Zijn al de broeders te Kampen homogeen ? Hebben zij allen dezelfde politieke overtuiging en inzichten ? Denken zij allen hetzelfde over de verhouding van Kerk en Staat ? Als van Velzen nu eens ijvert voor Gefken, en Hrurrimelkamp voor Keuchenius ; als de een beweerde : de Staat moet geen schoolmeester zijn, en de andere: de Staat moet zorgen voor Christelijke scholen ; wat moeten wij arme schapen dan doen ? En dan, bij de reeds overdrukke ambtsbezigheden, nog al die