is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige brieven aan een vriend te Jeruzalem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tijdens de debatten in de Tweede Kamer, heb ik mij in stilte verbaasd over den gang van zaken, en de houding der Christelijke pers. Van beginselen was nergens sprake. Alleen wilde men van antirevolutionaire zijde de doodstraf weder ingevoerd hebben. Niet in den zin van het Oude Testament, ook niet in den zin van den Catechismus, maar uitsluitend als straf op moord. Godslastering en doodslag, waarop ook de Catechismus de doodstraf, krachtens de Goddelijke wet, toepasselijk acht, heeft men niet genoemd. De minister heeft dan ook een glansrijke zege behaald, en de overwinningen der moderne levensopvatting en staatsregeling met eene hoogst belangrijke vermeerderd.

Toen het Wetboek door de Tweede Kamer met bijna algemeene stemmen aangenomen was, kwam de Standaard met een hoogstbelangrijk hoofdartikel, dat den spijker op den kop sloeg, en wees op de beginselen in verband met de houding der antirevolutionaire kamerleden. Dit artikel was zóó raak, dat de heer Savornin Lohtnan in een uitvoerig schrijven aan de Standaard, het gedrag der kamerleden en de beginselkwestie meende te moeten toelichten. En nu heeft, mijns inziens, deze gebeurtenis weder middagklaar aangetoond, voor wie het nog niet zag, dat men met de zuivere antirevolutionaire beginselen o, zoo weinig doen kan, in het practische leven. En dat niet omdat die beginselen niet deugen, maar omdat de volken in de 19e eeuw uit geheel andere beginselen leven dan in de 16e eeuw. De levensstroom heeft een andere bron, dan ten tijde van Calvijn, en graaft zich een andere bedding.

Dit feit mag men betreuren, maar het te ontkennen gaat niet aan. Zoolang men op de studeerkamer blijft zitten, kan men de beginselen uitwerken tot een geheel godsdienstig, of Gereformeerd-maatschappelijk stelsel; maar zoodra men een staatsambt of gewichtige maatschappelijke betrekking bekleedt, loopt men dadelijk vast. Een rechter b.v. heeft bitter weinig met beginselen te maken; maar des te meer met de wet. Eene goede, zedelijke, bruikbare wet komt hein dagelijks te stade.

De vraag: kan een Christenmensch eenig openbaar ambt bekleeden, zal, vrees ik, gaandeweg meer aan de orde komen, En zoo de antirevolutionaire kamerleden hun pad zuiver willen houden, zullen zij zich moeten spenen aan het denkbeeld on