Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat er op den bestemden tijd, in de liggende Os, ongeveer t wintig personen zijn bijeengeweest, dat de heer Wierema, uitgever van Gideon, de samenroeper en Ds. L. Lindeboom de leiders deivergadering waren, en dat men tot geen resultaat is gekomen.

Voor de waarheid van een en ander kan ik natuurlijk niet instaan. Met zekerheid weten wij nog niets.

Woensdag 23 Februari was ik te Steenwijk, en mocht ik mede genieten van het volksfeest, naar aanleiding van den 300 jarigen gedenkdag van het ontzet dier stad. Onze gemeente daar is vacant, en had mij uitgenoodigd om in de godsdienstoefening die //voor noen solomelicke zou gehouden

worden, voor te gaan.

De Steenwijkers hebben verstand om feesten te organiseeren, dat moet gezegd worden. De stad zag er allervriendelijkst uit. Heel de bevolking en duizenden uit den omtrek namen deel aan het feest, en alles mocht zonder wanorde atloopen. De historische optocht was klein maar rein. Alles zoo historisch mogelijk. Er waren mannen bij, die er in het zestiendeeeuwsche costuum allerprachtigst uitzagen ; echte typen van het heldhaftig voorgeslacht. Althans in hunne uiterlijke gedaante. Hoe zij van binnen zijn, kon ik natuurlijk niet zien.

Wat een onderscheid tusschen die schilderachtige kleederdracht uit de zestiende eeuw en onze tegenwoordige houten broeken, looden jassen en ijzeren hoeden ! Het geheel van onze tegenwoordige, deftige kleederdracht geeft ons de gedaante van den schoorsteen eener stoomfabriek. Hij zulke gelegenheden loopt het leelijke van onze hedendaagsche kleeding in het oog. Men behoeft slechts de commissarissen van orde met de deelnemers van zoo'n optocht te vergelijken, en men weet er alles van.

Wat bij zulke gelegenheden het smartelijkst aandoet, is het verzwijgen van God, het doen of Hij er niet is. Een vloeker toont nog te gelooven aan het bestaan van God ; een beschaafd mensch uit de negentiende eeuw zwijgt God eenvoudig dood.

Gij kunt niet gelooven hoe Hauw het Godsbesef is,, bij de kinderen van dit geslacht. Nog een weinig, en ze zijn onaandoenlijk voor alles wat zij niet eten en zien en tasten kunnen. „Die van den Kornput was toch een ferme kerel," ziedaar, de korte hoofdsom van veler historiekennis en veler eeredienst.

Sluiten