is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige brieven aan een vriend te Jeruzalem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die meenen dat hier de omvedergeboorne spreekt, beroepen zich vooral op de uitdrukkingen : „Ik ben vleescheüjk verkocht onder de zonde." „Hetgeen ik niet wil doe ik." Ik voel eene wet der zonde en des doods in mij. „Ik ellendig mensch, wie zal mij van het lichaam der zonde en des doods verlossen !"

Een wedergeboorne, zoo denken zij, kan, zal, nog mag alzoo spreken. Want een wedergeboorne is een nieuw mensch, van de zonde verlost; heilig, met Christus vereenigd door den Heiligen Geest, en kan dus evenmin zonde doen als Christus zonde doen kan. En daar hij geen zonde meer doet, heeft hij ook niet meer smart, twijfel, ontevredenheid met lot en weg; hij struikelt evenmin in velen als hij de menschen vloekt, die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn. Het pad der rechtvaardigen is blijdschap, en vroolijkheid is gezaaid voor de oprechten van hart.

Met deze opvatting heb ik mij nooit kunnen vereenigen. Tot op dit oogenblik is het mijne overtuiging, dat alleen een wedergeboorne spreken kan, als in Rorn. 7 gesproken wordt. De natuurlijke mensch, de mensch van nature in zijne natuurlijke geheelheid, zooals hij het product is van de voortbrengende kracht zijner ouders, kan deze dingen niet verstaan ; zij zijn hem dwaasheid.

Dit zien we, dunkt mij, in de edelste uiting van de menschelijke natuur : het humanisme. De man van beschaving, de ontwikkelde en naar het ideaal van het goede en ware en schoone strevende mensch, zou zich schamen voor den uitroep : Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam des doods ! Is hij een volkomen heiden, dan zal hij van de wijsbegeerte de verzoening met zich zeiven verwachten, en van den strijd des menschen en der menschheid, langs den weg der voortgaande ontwikkeling door verlichting en wetenschap, de eindelijke verlossing van den mensch van alle zonden.

En zoo is hij opgeleid tot alle maatschappelijke en Christelijke deugden, erkent hij, wat het godsdienstige en zedelijke betreft, zijn ideaal, zijn Meester, in Jezus van Nazareth. Wetenschappelijk staat hij, zoon der 19e eeuw, wel verre boven Jezus ; maar in het godsdienstige en zedelijke erkent hij in Jezus toch ziju meerdere; hij heeft het nog niet zoover gebracht als Jezus het gebracht heeft, maar zoo hij gelooft en liefheeft