Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit nu willen sommige Christenen niet erkennen. Zij staan, zeggen ze, niet meer in Rom. 7, hetwelk zeggen wil : dat zij geen strijd meer hebben en reeds tot de volkomene verlossing in dit leven gekomen zijn.

Ik wenschte wel dat gij deze lieden eens hoordet redeneeren. Het is of ze enkel tong zijn.

Na- en doordenken komt op dit standpunt niet meer te pas. Er zijn geen bezwaren meer. En daar zij niet meer eene wet der zonde erkennen, die zij met het vleeseh dienen, hebben ze van het vleeseh ook geen overlast meer.

En nu is het wel opmerkelijk, dat juist in dezen tijd zulke gevoelens zich weder openbaren. Eene gezonde, Christelijke levensopvatting wordt steeds zeldzamer onder de mensehen gevonden. De enkele, boven anderen uitstekende drijvers worden bestreden en van dwaling beschuldigd, terwijl men niet inziet dat men op dezelfde lijn zich beweegt, en het eene kwestie wordt van meer of minder.

Ik geloot dat gij het met mij eens zijt als ik beweer, dat wie niet in Rom. 7 staat aan Rom. 8 niets heeft. Want Hom. 8 leert ons den waren troost kennen tegenover al onze zonden en ellende, en het stelt de geloovigen voor als zuchtende met het gansche schepsel en verwachtende de aanneming tot kinderen.

En daarom durf ik er niet aan denken om nog iets extra's op mij te nemen, iets dat de Heere niet geboden heeft. Ik bewonder sommige Christenen die dit wel durven, ofschoon ik het niet wil ontkennen, dat het eigenlijk maar verwondering is, die zich van mij meester maakt.

Het schijnt het oordeel van dezen tijd te zijn, dat de menschgod den God-inenseh verdringe. Op ieder gebied en in allerlei vormen is dat streven der eeuw waar te nemen. De moderne theologie spreekt dit vrij uit. Maar in ethische en methodistische kringen worden er allerlei doekjes omgewonden, en deze met Bijbelteksten netjes vastgestrikt. De volstrekte onmacht des menschen tot eenig waar geestelijk goed, wordt zoo al niet in de theorie dan toch in de praktijk ontkend. Van daar, dat velen dan eerst den mensch als wedergeboren beschouwen, als hij met bewustheid gelooft, en roemt in de hoop der heerlijkheid Gods.

En hiermede in verband acht ik het ook een veeg teeken,

Sluiten