Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorming af in dit land heeft bestaan, en daarbij dachten aan het woord des Heeren : wie om Mijnentwil niet verlaat huizen en akkers kan mijn discipel niet zijn;

3. dat de stichting van een nieuw Kerkgenootschap op Gereformeerden grondslag, door de omstandigheden des tijds, met minstens evenveel recht en grond als de stichting op Gereformeerden grondslag van eene Vrije Universiteit, volkomen gerechtvaardigd, en, naar den eisch der Nieuw Testamentische bedeeling, plichtmatig is;

4. dat, werkt het beginsel der Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag in de practijk door, de uitkomst wederom scheiding zijn zal, met al de gevolgen aan zulk eene daad verbonden.

Het heeft mij menigmaal getroffen, hoe onverdraagzaam het inenschelijke hart is in kerkelijke zaken. Het: „hatelijk zijnde en elkander hatende", komt nooit en nergens zoo sterk uit als in verschillen over godsdienst en geldzaken. De waarlijk beschaafden weten hun afkeer tegen het verlaten van een kerkgenootschap nog te bedwingen, door het in achtnemen van de vormen der wellevendheid. Maar de geesten van alledaagsch gehalte missen die macht tot zelfbedwang en uiten zich oprechter. Tot eenige waardeering zijn ze onbekwaam. Ze zijn slechts hatelijk.

Wat heeft een arme Jood niet te lijden die tot het Christendom overgaat! En zoo de Roomschen konden, ze zouden nog iederen overgang tot het Protestantisme, met vuur en galg en zwaard, verhinderen of straften. Wat de liberalen op dit punt zijn heeft de geschiedenis der afscheiding overvloediglijk geleerd, en nu ze niet meer beboeten en in den kerker werpen en met soldaten de bijeenkomst der separatisten uiteen drijven kunnen, verklaren ze voor gek, al wie hun kerkgenootschap verlaat en tot gescheidenen overgaat.

Wat in vroeger jaren de Nederlandsche Gereformeerden voor de Doopsgezinden, en de Lutherschen voor de Gereformeerden waren behoeft slechts herinnerd te worden. En wat er heden ten dage nog geleden wordt in huis en familie; wat onrecht en achteruitzetting of niet-bevordering in menige maatschappelijke- of ambtenaarsloopbaan, alleen in kerkelijke en godsdienstige antiphatieën zijn grond heeft, weet ieder, die met menschen

Sluiten