is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige brieven aan een vriend te Jeruzalem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuurman Novatianus, Donatus, de Labadie. Zij ontdekken allerlei fouten, die met roer en zeilen door de ongeleerde en onbevaren bemanning gemaakt worden. Het eenige wat, volgens hen, nog voor een zacht oordeel pleit, is de omstandigheid, dat er in dit bootje uitgedrevenen zijn, wie geen keuze overbleef, en zulken die er willekeurig bij insprongen.

Aan boord zelve van dit scheepke heerschte soms de grootste verwarring. De een wilde zeil bijzetten, de andere inhalen. Dan is men het niet eens over den koers; dan wil men nieuwe scheepsorders en reglementen ; dan weder belijdt men schuld over die daad, en neemt de oude wetten uit de dagen van de Ruiter weer aan. Vele de Ruiters schijnen zelfs onder die kleine bemanning te schuilen, en dat bevordert de eendracht niet altijd. Het duurt zelfs niet lang of er liggen er al enkelen over boord. De zwakken van hart beven en denken somtijds: wat zijn wij begonnen en waar gaan wij heen ? De sterkeren evenwel houden vol en zingen onder alles hun scheepslied:

n't Scheepke onder Jezus hoede,

Met de Kruisvlag hoog in top,

Neemt, als arke der verlossing.

Allen, die in nood zijn op.

En sta' de zee al hol en hoog En zweept de storm ons voort;

Wij hebben 's Vaders Zoon aan boord,

En 't veilig strand voor 't oog.

Niet door ons zeiven, maar veeleer ondanks ons zeiven, zijn wij thans wat wij zijn, eenig en alleen door de genade Gods. De Heere heeft aan de vaderen der Scheiding en aan onze ouders of grootouders die hen volgden, Zijn Woord vervuld: die Mij eeren zal Ik eeren. En daarom past ons thans een woord van blijde herinnering aan wat geschied is in de kracht Gods, met geen andere bedoeling dan om God te dienen naar Zijn Woord. Tegen menschengeboden was de strijd in de Afscheiding gericht uit diepe en ernstige overtuiging, dat het volbrengen van die geboden eene vergeefsche Godsvereering is. En terug ziende op wat de Heere nu eene halve eeuw aan ons gedaan heeft, nemen wij den psalm des lofs op de dankbare lippen :

Die, in onzen lagen stand,

Ons genadig bood de hand ;

Want Zijn gunst, alom verspreid.

'Zal bestaan in eeuwigheid.