Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want zy (Maria) op 't uyterste was swanger,

Soo dat-se geenen tydt hadd' langer

Als zij van Galileen afT

Haar op de reys' na Beth'lem gaff,

Omdat was Joseph voordgebraght

Van Davids Conincklyck Geslacht.

Of in de lijdensweken, b.v.:

Wie moet hem niet, ten hooghstens nu verwond'ren,

Dat met verdriet, soo licht men siet aff-sond'ren Van 's Levens Bron, dan mensch aan alle hoecken?

Elck laat de kern, den yd'len dop zy soecken.

Pilatus Jesum vraaght,

Wat Ryck is 'tdat ghy jaaght?

Syt ghy den Prins der Joden?

Ofï haren Coningh Sterck ?

Neemt op U woorden merck,

't Werdt U van my geboden.

De laatste LofT-Sangh is niet de minste. Zij begint aldus :

Het glinst'rigli Firmament, verciert Met gulden loov'ren sie ick blincken :

Dies ick myn stem nu wil doen klincken En dancken Godt die 't al bestiert.

Geef Heer dat ick in u magh rusten Mijn vleysch geen quaadt en laat gelusten.

Met de bede uit den 53sten Lofzang, als ook op onze tijden toepasselijk, eindig ik mijne aanhaling.

O Heere u gescheurde Kerck Verlicht doch in dit duister Perck;

Dat wy met ernst eens mogen trachten Te heélen 't geen gansch is doorwondt,

Te bouwen op een vasten grondt;

Verhoort o Godt, der Vromen dachten.

Wij kunnen ons, zooals ge ziet, ook wat de gezangen betreft met de historie troosten. En voor het overige hebben we zeer groote reden om God te danken, dat wij het Evangelie van Gods genade nog vrij mogen verkondigen. Dit is het hoogste genot en het uitnemendste voorrecht, dat vooral de dienaren des Woords boven anderen genieten. Aan vele dingen onderworpen, die niets dan moeite en verdriet veroorzaken, en elk ideaal voor dit leven plat ter aarde werpen en vertrappen, blijft ons toch nog over om in het openbaar van Hem te spreken in Wien de volheid Gods lichamelijk woont, de ware mensch en het uitgedrukte beeld der zelfstandigheid Gods. En de Heere God zal zijn werk volbrengen en ook in onze eeuw door de dwaasheid der prediking zaligmaken die gelooven.

Sluiten