Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagen tijds, zulk een boek konden samenstellen. De Synode heeft inderdaad nu haar man gevonden en kan niet meer volstaan mei een paar vrome, gemoedelijke predikanten af te zetten. Hier staat kracht tegen kracht, systeem tegen systeem, scherpzinnigheid tegen scherpzinnigheid. Van „afscheiding" is in het minst geen sprake. De geschorsten reiken der Synode de hand der verzoening en komen met het voorstel om in het Kerkgenootschap verschillende Kerken te scheppen, opdat men in zijn Kerk en Kerkgenootschap vromelijk leven en zaliglijk sterven kan.

Het zal nu wel eerlang blijken of de Synode de haar toegegestoken hand aanneemt of afwijst. Intusschen hebben de mannen van Kootwijk, Voorthuizen en Reitsum den knoop doorgehakt. In duidelijke bewoordingen hebben zij zich van de Ned. Herv. Kerk afgescheiden, als een nieuw kerkgenootschap, met een reglement zich geconstitueerd en hiervan, op grond deiWet van 10 September 1853, Staatsblad No. 102, aan de Regeering kennis gegeven.

De Heraut bestrijdt echter de meening dat genoemde gemeenten zich hebben afgescheiden. Ieder moet het wel verstaan, zegt de Heraut, dat deze gemeenten zich niet hebben afgescheiden. Neen — zij hebben zich niet afgescheiden, maar zij hebben de Synode afgesneden !

Het is dus een duistere zaak wat er eigenlijk gebeurd is. En nog duisterder wordt het, als we hooren, hoe de geschorste kerkeraadsleden tot die afgesneden Synode komen en zeggen : doe ons recht, o Synode, wij hebben niets gedaan wat we volgens de Reglementen niet mochten doen !

Een degelijk en welluidend tijdwoord laat mijn geachte ambtgenoot, Ds. Littooy van Middelburg, hooren, in de uitgave van een biddag-preek, gehouden 10 Febr. 1.1., over Ps. 120 : 4, en getiteld : Voltooiing der uitleiding ; de bede der uitgeleiden. In de overbrenging van het tekstwoord zijn wij, Christ. Gereformeerden, de Joden, die uit Babel weder naar het land deiVaderen zijn teruggekeerd, en de Gereformeerden in de Herv. Kerk, de Joden, die nog in Habel bleven. Wellicht zullen de Gereformeerden bezwaar hebben tegen deze beschouwing en beweren, dat zij nooit het land der Vaderen, het geliefde Jeruzalem, hebben verlaten, maar dat „vreemde indringers" het

Sluiten