Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij hebt vernomen dat de bloem van Neêrlands vrouwen, Mevrouw Bosboom—Toussaint, nu ook ten doode is gegaan. Haar rijke letterkundige nalatenschap is gebleven, en onze kinderen kunnen er uit genieten, en er uit leercn, dat groote letterkundige talenten en ootmoedig Christelijk geloof, in vroeger jaren wel eens te zamen gingen, in het leven van uitverkoren nienschen. Ach, het is zulk eene weemoedige gedachte, dat zij, die de roem van ons land waren, van ons gaan, de een na den ander. En waar zijn de jongeren, die weder hoop geven voor de toekomst ?

Doch laat ik eindigen. Deze brief is al weder zwaarmoedig genoeg. Gelukkig dat de menschen wijs genoeg zijn om zoo opgeruimd mogelijk te wezen. De liberalen, omdat de Kamerontbinding hun zooveel geluk bracht; de anti-liberalen omdat zij denken het toch eenmaal wel te zullen winnen en eens schitterend revanche te zullen nemen. Maar allergelukkigst zijn, onder dat alles, toch zij, die eene andere „ontbinding" met waarachtige vreds en stille blijdschap verwachten.

6' Augustus 1886.

Waarde Vriend!

Toen ik u mijn vorigen brief schreef, was ik nog geheel onbekend met hetgeen er op 't zelfde oogenblik in het noordwestelijk deel onzer stad voorviel. Dat is het eigenaardige van het wonen in eene groote stad, als men daar, onder de tienduizenden zich verliezend, woont in het midden zijns volks.

Hetgeen we in het jaar van '48 gezien en gehoord hebben, was kinderspel bij wat op dien vreeselijken Maandag der vorige week, den dag van het palingoproer, plaats had. Het bewijst wat groote vorderingen de beschaving sedert dien tijd onder ons gemaakt heeft. Wij zijn nu bijna zoo beschaafd als de Parijzenaars. We kunnen nu ook van barricades met roode vlaggen spreken, en onze soldaten hebben nu ook op burgers moeten schieten, en hebben raak geschoten ook.

Het droevig verhaal van al die afschuwelijkheden verneemt gij wit de couranten. Ook vindt gij daar beschouwingen over

Sluiten