Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is reden om Dr. Kuyper dankbaar te zijn voor zijn kritiek op ons reglement of statuut van 1809. Z. H. G. zegt, dat niemand denken moet, dat hij spijkers op laag water zoekt. Dit voelde onze geleerde beoordeelaar zelf dat noodig was, omdat zijne kritiek sprekend op zulk zoeken gelijkt, en men dus allicht op het vermoeden komt, dat hij werkelijk doet hetgeen hij ontkent te doen.

Meerderen dan ik zijn reeds bezig hunne kritiek op Dr. Kuypers Kritiek te leveren, o. a. J. H. D. in het Christelijk Weekblad voor Leiden en Omstreken. Tk wenschte, dat de Bazuin deze stukken overnam. Zij zijn in waarheid afdoende, nl. voor ons, natuurlijk niet voor Dr. K. Ik ben, en ik denk velen met mij, J. H. D. daar zeer dankbaar voor.

En waarom er reden is, om Dr. K. dankbaar te zijn, vraagt ge? Omdat het nu voor velen onzer duidelijk kan worden, dat er, zoo lang de zaken dus staan, van kerkelijke vereeniging geen sprake kan zijn. Wij moeten ons schikken in de werkelijkheid, hoe treurig die ook zij, en elkander broederlijk waardeeren en verdragen.

Wel is waar, ligt de schuld van het niet-vereenigen nu aan onze zijde, zoolang wij het reglement van 1869 niet willen loslaten, maar dit was te verwachten. Ik voor mij heb mij nooit anders voorgesteld. Wij zijn op het stuk van „gelijk krijgen" nooit verwend, en het is daarenboven nog nooit gebeurd, dat iemand tegenover de gereformeerden, thans doleerenden, in de Heraut gelijk kreeg.

Zoo ik U dus weinig meer over deze dingen schrijf, moet ge niet meenen, dat ik op eens een ledig aanschouwer ben geworden. Maar nu we eenmaal duidelijk weten waar het op staat, geloof ik dat we alles moeten vermijden wat het hoofd warm kan maken. De doleerende broeders hebben veel dat we waardeeren ; en van de geleerdheid hunner leiders en voorgangers kunnen ook wij nog leeren. Hun blik op de dingen is anders dan de onze, en de beginselen, die we gemeenschappelijk belijden, willen zij anders toepassen dan wij; maar in de leer der zaligheid, en dat is toch de hoofdzaak, zijn we volkomen één.

En daarom, denk ik, moeten we stille zijn, een iegelijk in zijn eigen gemoed verzekerd zijnde, want voor niemand is het

Sluiten