Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik bad; maar niemand vat mijn hand.

Ik weende; maar niemand hield mijn handpalm.

Ik roep overluid; maar er is niemand, die wil hooren.

Ik ben in donkerheid en verberging; ik durt niet opzien.

Ik breng mijn smart voor God en spreek mijn gebed.

Ik omhels de voeten van Isjtar, mijn moeder.

Ik zend mijn smeeking op tot God, Die weet, dat ik niet

[willens zondigde. Tot Isjtar, mijn moeder, die weet, dat ik niet uit moedwil

[misdreef, richt ik mijn bede. Hoe lang, o God, zal ik lijden?

Hoe lang, o Isjtar. moeder, zal ik bedroefd zijn.J Hoe lang, o God, Die weet, dat ik niet met opzet mis-

[deed, zal ik Uw sterkte voelen? Hoe lang. o Isjtar, moeder, die weet, dat het geen boos

[opzet was, zal Uw hart toornig zijn? Gij schrijft het getal des menschen, en niemand weet het. Gij roept den menscli bij name, en wat weet hij?

Of hij zal bedroefd worden of voorspoed hebben, — geen

[mensch weet het. O mijn God, Gij geeft geen rust aan Uw dienstknecht. In de wateren van den bruischenden vloed o vat Gij

[zijn hand.

Wend de zonde, die hij gezondigd heeft, ten goede.

Laat den wind het misdrijf verwaaien, dat ik begaan heb. Delg uit mijn veelvuldige overtredingen als een gewaad. O mijn God, zevenmaal zeven zijn mijn overtredingen, [mijn ongerechtigheden zijn immer vóór mij.

Het oude monotheïsme is hier al aanvankelijk overwonnen door het opkomend veelgodendom; maar klinkt het er niet nog telkens doorheen? Arm -Heidendom, dat zóó aandoenlijk roept om redding „maar er is niemand, die wil hooren." Hoezeer behoeft dit Heidendom een open-

Sluiten