Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verliezen al de terpentijnboomen des winters hun eerst roode maar later glimmende donkergroene bladeren: des zomers zijn zij recht sierlijk, al worden zij meestal lang niet vijf Meter hoog. Even schoon mogen wel de mastixheesters lieeten, die het geheele jaar door hun frisch groen behouden. En doen deze U denken aan hars, gom, en balsem uitzweetende planten, let dan vooral in het Oost-Jordaansche land nabij het latere Jegar Sahadutha van den Mitanniër Laban (het Gal-Ed van zijn verwant Jakob, en het Gilead — bij veelgeliefde woordspeling — van diens nakomeling in later tijden) op de balsemboomen van het Jordaandal, die het Oosten even beroemd gemaakt hebben als de rozen van de Saron-vlakte het Westen. Cypressen met kleine spitse bladeren en kegelvormige kroon mogen voor lansschachten zeer goed, en voor gebouwen zeer geliefd, hout leveren; maar voor het aanzien zijn ze U te somber, niet waar? En over de wilgen denkt Gij wellicht evenzoo? Welnu, zie dan liever naar de platanen, de wilde olijfboomen met hun van onderen zilverwitte bladeren, of de talrijke soorten (soms lage heester, soms liooge en breed uitgespreide boom) van acacia's met hun dicht en liefelijk loof, de verschillende lagere struiken, sommige kennelijk van woestijnaf'komst, de myrten 't zij als struik of als boom. Om niet te spreken van de eiken, die het Oostjordaansche hoogland met rijke wouden bedekken, en in andere soorten in het Westland in oude tijden veel worden aangetroffen. En om de cederen, die den Libanon sieren, maar zuidelijker niet veel worden vermeld of waargenomen , alleen maar met waardeerend herdenken in het gesprek te mengen.

Dat velerlei vruchten verbouwd worden in de vlakten en op de terrassen en op de hooglanden, kan al mede aan Uw waarneming niet ontgaan zijn. Worden braak-

Sluiten