Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der lieden van het Priesterlijk Koninkrijk van Maïn1), hier gewoond hebben, zou zich aan een zeer gewaagde gissing schuldig maken. Den Minaeërs zeiven heugt geen verdere machtsuitbreiding naar het Noorden dan tot Gaza.

Veeleer is te denken aan de voorvaderen der Rephaïten, die blijkens hun steenen offertafelen en grafteekenen, hun „hunebedden", „dolmens" en „cromlechs", om de taal van "Westersche volkeren in later eeuw eens te spreken, tusschen het Noord-Oosten en het Zuid-Westen een band vormen, waarvan het midden gaat door de vallei van Megiddo, zoodat Gij in deze dagen den Rephaïet aantreft te Asjtoreth-Karnajim (naar de Babylonische godin Isjtar met de horens der maan) in het Noord-Oosten -); maar tevens — om slechts één enkel voorbeeld te noemen — tusschen de Zuidelijke Amoriten en Hethiten in 3), en in het latere Hinnomdal aan den voet van Jerusalems bergen 4).

Klaarblijkelijk zijn het wel deze verwanten der Enakiten geweest, die Jerusalems eerste ommuring hebben gebouwd, verwanten van de reusachtige „zonen van Rapha °), die te Gath worden beschouwd als „ de mannen van Gath, die in het land geboren6) waren", dat wil zeggen: als de inboorlingen bij uitnemendheid, de oorspronkelijke bewoners des lands.

Later heeft Jerusalems bevolking een groote aanwinst gehad door de komst der Kanaaniten. Mogen dezen al in nog verder afgelegen eeuw uit Poen in het Zuiden Noordwaarts getrokken zijn, later hebben zij zich in

1) In later eeuwen het gebied der Koningen van Sjeba in Arabië.

2) Cienesis 14 : 5.

3) Genesis 15 : 20.

4) Josua 15 : 8; 2 Samuel 5; 2 Satnuel 23; 1 Kronieken 11 : 15; 14 : 9.

5) Zonen van Rapha = Rephaïten, evenals zonen van Knak = Enakiten.

6) 1 Kronieken 7 : 21.

Sluiten