Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ebed-Tob plaatst ziet hier volkomen op liet standpunt van een onderdaan. Nochthands wil hij geen land\ oogd heeten: „Zie", zoo schrijft hij in zijn steenen brief verder, „ ik ben niet een stadhouder, een vasal, van den koning, mijnen heer. Zie, ik ben een bondgenoot van den koning, en ik heb de aan den koning verschuldigde schatting betaald, ja ik. Noch mijn vader, noch mijne moeder maaide arm van den Machtigen Koning ') heeft mij gevestigd ".

Uit deze woorden spreekt weer Koninklijk bewustzijn. En een herinnering aan toestanden als van Abrahams Melchizedek 2). Maar is liet Koninklijke hoffelijkheid of onkoninklijke onderworpenheid, wanneer hij zijn brieven besluit met een verzoek aan den geheimschrijver des Egyptisehen Konings, om toch vooral een uittreksel van zijn brief voor te leggen aan dien Koning?

Gij ziet meteen uit deze correspondentie, dat het godsdienstig inzicht van Jerusalems Koningen niet is verhelderd. Wél geeft de Melchizedek Ebed-Tob alle eer aan zijn God, Dien hij als den „ Machtigen Koning van den Egyptisehen Koning onderscheidt en ver boven dezen verheft. Maar toch onthoudt hij den Pharao diens afgodischen titel van „ Zonnegod" niet. En ook op andere wijze blijkt, helaas, de religie van Jerusalems Berg-Gods niet zuiver meer te wezen.

Dat is, tot op zekere hoogte, verklaarbaar, al is het natuurlijk in geen enkel opzicht ooit goed te keuren. Het was aanvankelijk een goed bedoelde poging tot vertaling geweest. Wanneer een Nederlander, tot Mohammedanen sprekend, den naam van zijn God vertalen zal door het Arabische „Allah" zonder eenige opheldering daarbij te voegen, zal hij wellicht soortgelijke verkeerdheid be-

1) Blijkens de woordenkeus geldt dit niet den Pharao; maar Gode.

'2) Hebreeën 7 : 1—3.

Sluiten