Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vallende ruimte alleruitlokkendst geschikt, om1) voor den Koning'2) een dorsehvloer te maken, waar voorheen voor den Koning der Koningen een heiligdom had gestaan. Dat Jerusalems volk en rijk in afgoderij liggen verzonken, behoeft na het reeds opgemerkte, nauwelijks opzettelijke vermelding.

Wanneer de Kinderen Israëls, de Oostelijke Amoriten met de onder hen ingesmolten Zamzoemiten, (voor zoover de Kinderen Ammons 3) hen niet hebben uitgeroeid) en llephaïten 4) overwonnen hebben, en de Jordaan zijn overgetrokken, treedt Jerusalems Adoni-zedek 5) op aan het hoofd van een aantal hem onderhoorige Vorstenlanden. De Koningen van Hebrons sterke vesting, van Jarmoeth, van Eglon, van het door-zoo geweldige muren van ouds versterkte Lachisj, en al de streken van het Zuiden als Debir en Gezer en andere, zijn hem gehoorzaam als suzerein, of zien althands in hem hun aangewezen leider. Uiterlijk schijnt dus Jerusalem zeer machtig. Maar de Egyptisch-Hethitisch-Babylonisch-Mitannisch-Philistijnsche oorlogen hebben innerlijk alle weerstandsvermogen verteerd. Het verliezen van den slag op den wonderdadig verlengden dag te Gibeon en Ajalon zal hen ongeneeslijk verbreken.

Wie echter kort te voren Jerusalem bezoekt, zal in menig opzicht groote veranderingen moeten constateeren.

Nietwaar? Reeds muur en poort zijn anders dan voorheen. Geen muren van weeke leemsteenen, week opeengezet naar de Babylonische wijze, zoodat zij niet inzinken en nochthands innerlijk zich verbinden. Dat is een geheim der

1) 2 Kronieken 3:1.

2) 2 Samuel 24 : 16, 18, en vooral 23.

3) Deuteronomium 2 : 20, 21.

4) Deuteronomium 3 : 11.

5) Jo9ua 10.

Sluiten