Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn liaar, dat hij soms in één staart samengestrengeld houdt, en soms in drie vlechten draagt, één op den rug en twee over de schouders, is zwart. Zijn achteruitwijkend voorhoofd, vooruitstekende kin, rechte ietwat dikke neus, overhangende bovenlip en schuine donkerbruine oogen, geven hem een Mongoolsch voorkomen, dat aan Cliineesche typen doet denken. Het gemis van een baard, en de kortheid van zijn vrij dikke gestalte verhoogt den indruk, dien zijn verschijning op U maakt, voorzeker niet, al staat zijn bontkleurig gewaad hem wezenlijk goed, en al sieren hem vaak vele juweelen.

Zijn Amoritische bondgenooten daarentegen zijn geheel andere lieden. Niet donkerkleurig als vele stammen rondom hen; maar blank van huid steken zij al aanstonds scherp bij deze af. Zij zijn meestal groot van gedaante en welgebouwd. Hun schedel is edel gevormd, hun neus recht en eenigszins spits, lippen en neusgaten dun, kin recht, en wangbeenderen hoog. De kleur hunner oogen is gewoonlijk blauw, en baard en hoofdhaar zijn blond; soms roodachtig. Den baard dragen zij meestal puntig aan de kin.

De Noordelijke Hethiten houden er van, grachten rondom hun steden te graven en die met muren tot verdedigingsmiddelen te gebruiken: soms twee muren met een gracht er tussclien; soms twee grachten en in het midden een muur. Te Jerusalem (en over het algemeen in het Zuiden) behoeft de Hethiet niet te denken aan zulk een verdedigingsstelsel. Daarom is hij er te meer op uit om zijn gemetselde, torenlooze, muren te bouwen aan den rand der steilten, en deze muren op te trekken tot ontzachlijke hoogte. Kloven of grachten bekleedt hij dan verder met zeer gladde steenen, om beklimming onmogelijk te maken. En meester in de vestingbouwkunde als de Hethiet is, laat hij niet alles afhangen van den buitenmuur der vesting; maar bouwt binnen haar omlijsting

Sluiten