is toegevoegd aan uw favorieten.

Gods kinderen van Ur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

Een dichte volksmenigte verdringt zich op den weg, die te Tanis langs het huis des Konings gaat. In gespannen verwachting zien de zonen der zwarte aarde de komende dingen tegen. Want van de beweringen des Opperschenkers is noodzakelijkerwijze wel iets uitgelekt. Kerkerwachten en paleisbewaarders, kamerlingen en hofbedienden mogen wel het hunne hebben bijgedragen. En de barbier zal natuurlijk zijn bespiegelingen niet geheim gehouden hebben. Zoo weet wel niemand iets maar weet toch ieder alles. En, gelijk gewoonlijk, wordt het: „ Men zegt = men liegt" op groote schaal in toepassing gebracht. Allerlei geruchten zijn in omloop. Wat er komen zal, weet niemand. Dat er iets komen zal, staat bij allen vast. En zoo zijn zij dan allen ter plaatse in gespannen verwachting, krijgslieden en kooplieden, handwerkers en schrijvers. Ethiopiërs en lieden uit het Egyptische Midian, Semiten en Egyptenaars, een bonte wisseling van gelaatsvormen, huidkleuren, gewaden, en versieringen.

Daar stuiven ze uiteen. En langs al den weg staan ze weldra in twee rijen eerbiedig geschaard. Ten deele wegens de veiligheidsbeambten, die ruimte gaan maken voor een naderenden stoet. Ten deele, omdat zij, die liet dichtst zijn bij de paleisgebouwen van de „Hooge Poort" aldaar het eerste komen van den stoet hebben bespeurd. Hetzij met slechts een schort om het voorts naakte zwarte, gele, bruine, of bijna blanke lichaam of met meer of minder fijnen lijfrok om de leden; het gladde zwarte of een enkele maal blonde, of zachtgolvend donkerbruine hoofdhaar onder de blauw en geel gestreepte hoofddoeken al of niet versierd, en kort, zoodat het nog niet (gelijk bij en na de 18de Dynastie het geval zijn zal) de schouders overdekt; hetzij met hetzij zonder sandalen, allen wijken