Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Hebreeuwsche schrijver ter opheldering voor zijn tijdgenooten de streken van Abrahams Zuidelijke reizen aanduidt) reeds in Izaks dagen het Kanaanitische Gerar veroverd hebben, is liet alleszins begrijpelijk, dat de geschiedenis van Abraham en Abimelech zich tusschen hun hooiden en Izak te Bëeersjêbang heett herhaald, t Zijn nu niet de donker getinte zonen van Kanaan ot de Mongoolsch uitziende krijgslieden der Zuidelijke Hetkitenkoloniën; maar ile Poelista, gelijk Egypte hen noemt, de Philistijnen uit Kaphtor, blankhuidig, blauwoogig, blondlokkig als de Lehabim !), waarop zij zoozeer gelijken, en geheel verschillend van Izaks Semitisch voorkomen. Met de beschaving der Minaeërs en der Kanaaniten nemen zij (althands voor den Hebreeër en den Kanaaniet) ook de titels en namen over van het nieuwe land. Komt het oude Malik straks voor in hun godennaam Melkarth, 't verklaart, hoe naar dienzelfden naam hun \ orst evenals zijn voorganger in Abrahams dagen zich Abimelech kan heeten, en hoe er tusschen de namen der begeleiders overeenkomst kan bestaan.

Veroverend, en dus verdervend en twistend, zijn nu ook de Philistijnsclie onderdanen de bronnen uit het Xègeb gebied gaan bezetten en op Bëeersjêbang beslag gaan leggen. Maar met de nomadenvorsten dezer woeste streken durven zij alsnog den strijd niet aanbinden. Een verbond, een eed, een maaltijd, volgen. Wat wonder, dat de dichtgestopte maar weêr ontdekte en opgegraven bron wederom ,. Bron des eeds ", Bëeersjêbang. wordt genaamd, en dat de ommuurde kleine stad daarbij van de eeden harer beheersehers dezen naam behouden blijft, nu haar voor eenigen tijd gelegenheid wordt gelaten tot bevestiging en ontwikkeling; dewijl de legers, en dus de ver-

1) Libyërs.

Sluiten