is toegevoegd aan uw favorieten.

Gods kinderen van Ur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o Israël! Toef niet langer in mijmerend gepeins. Breek af de tenten en hutten en haast U om uw Jozef tegen te gaan!

De oude Vorst der Hebreeën keert tot de zijnen terug en geeft zijn bevelen aan zijn zes en zestig familieleden. Reeds is het gezin der twee bejaarde kinderlooze lieden, die eertijds zich in deze streken vertoonden, Aboe Ramoe 1) met zijn Babylonisehen en Saraj met haar Kanaanitisclien naam, tot een geheelen stam geworden. Reken bij deze zeven en zestig hun vrouwen. Tel er vervolgens bij hun honderde slaven (Abram kon er tijdens den Llamitischen inval reeds 318 van afzonderen om met zijn Amoritische bondgenooten op te trekken; en hoe moet sints dat getal zijn vermeerderd!), dan verwondert het U niet, dat Amalekiten noch anderen dezen Herderskoning ontrusten. En zoo (rij nu nog ten overvloede den Egyptisclien hofstoet mederekent, is het dan niet geheel een leger, dat gaat optrekken naar Egypteland?

De bedrijvigheid en de verwarring nemen toe. Zooveel moet geborgen, zooveel geordend, eer het groote legerkamp, de groote tentenstad kan worden opgebioken. Vooral, waar het zoo vele lieden van verschillend ras en verschillende verhoudingen geldt. Schilderachtig is het schouwspel: donkergetinte, kromneuzige, zwartoogige, Semiten met golvend donkerbruin haar. Kanaaniten met donkere kleur maar in lichaamsvorm van de Babylonische Hebreeën onderscheiden. Amoriten wellicht met hun blanke kleur, blauwe oogen en blonde lokken. Mogelijk ook een enkele, wiens geelkleurig Mongoolsch gevormd gelaat en vreemd gevlochten haardosch Hetliitische at komst verraadt. Allen in het ruw en eenvoudig gewaad van de Sjasoe, de zwervende Bedawinen der Oostersche landen,

1) Abram.