Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met Nachsjoons hoogen eisch wil Elcltanaan geen genoegen nemen, hoewel de ander — wellicht niet zonder overdrijving — wijst op de gunstige ligging van het huis en op de uitstekende vruchtbaarheid van den wijngaard. Heftige gebaren, driftige woorden, vlammende blikken, zouden U schier doen vreezen, dat zij tot handtastelijkheden zullen overgaan. De toeschouwers deelen die vreeze blijkbaar niet, hoewel zij levendige belangstelling toonen in hetgeen er voorvalt. Hooger en hooger gaat de woordenstrijd. Elchanaan spreekt van woeker en afzetterij; Nachjioon beroept zich op de omstanders en zoekt den steun hunner instemming. Beiden spreken steeds luider en onstuimiger, totdat eensklaps de storm zich legt. De koop is gesloten, en Elchanaan burger van Hebron geworden. Blijkbaar had hij ook niet anders verwacht; want hij heeft geld bij zich in voldoende hoeveelheid om aanstonds den prijs te voldoen, en nu wordt het geld den verkooper toegewogen; de koopbrief hiervan opgemaakt, en buiten de beide contractanten ook door hun getuigen ') onderteekend.

Te midden van de drukte en het gewoel gaat daar juist een man langs ons heen de stad in, die (zoowel om zijn kleeding als om zijn ambt) door ons nauwkeuriger moet worden beschouwd dan de andere voorbijgangers. Hij is een schoon man van regelmatigen lichaamsbouw zonder verminkingen of gebreken. Zijn ambt vereischt dit dan ook; want de Wet door Jehova in de woestijn gegeven schrijft voor: 2) Geen man uit het zaad van Aaron den Priester, in wien een gebrek is, zal toetreden, om Jehova's vuurofferen te offeren; een gebrek is in hem: hij zal niet toetreden, om de spijs zijns Gods te offeren." Zoo weet Gij nu tevens zijn ambt: Het is een Priester van Jehova, den God van Israël.

1) Jeremia 32 : 9—12.

2) Leviticus 21 : 21.

Sluiten