Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met een rechtmatige verwondering vraagt Gïj echter, waarin dan zijn kleeding afwijkt van die der anderen; want U valt geen verschil op. En inderdaad, zooals hij hier is, kunt Gij in hem den Priester niet vermoeden. De lange lijfrok en het cierlijk overkleed toonen wèl, evenals de fraaie gordel, dat we met een welgesteld man te doen hebben (wat wel niemand zal verbazen, die weet, hoe de tegenwoordige Koning meer dan zijn voorganger Saul1) de Priesters begunstigt); maar zoomin zijn met riemen aan voet en been bevestigde schoenzolen, als zijn bont gewerkte Babylonische 2) mantel teekenen iets anders dan gegoedheid, en de lelievorm van zijn tulband is voor een vreemdeling niet zeer in het oog vallend. Maar (xij moest hem eens in het ambtsgewaad zien, dat hij draagt wanneer hij den dienst bij het heiligdom (voorheen te (•ribengoon, en nu te .! erusalem. werwaarts .Jehova's ark des Verbonds is opgevoerd) moet waarnemen! Daar draagt de Priester een lijfrok, een broek (anders geen Israëlitische dracht) en een lelievormigen tulband van zeer fijn wit linnen, boedz of baad genoemd, als symbool van reinheid en afzondering, en een gordel, die, vier vingeren breed, tweemaal om het lijf gewonden en van voren samengebonden is, welks einden tot op de voeten neerhangen. en die als een slangenhuid geweven en met bloemen van purper, donkerblauw, wit, en karmozijn, is bestikt.

Eigenaardig als zijn kleeding is ook zijn ambt. Hij behoort tot hen, die als middelaars voor het volk bij Jehova moeten tusschentreden; melaatschen onderzoekend , onrein-verklaarden (om de aanraking van een doode of andere oorzaak) reinigend, brand- en slachtoffers opdragend op het koperen altaar in den voorhof, nadat door zijn Levitische helpers het voorbereidend werk

1) Kigenlijk Sjaoel.

2) Josua 7 : 21.

Sluiten