Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I)e geraadpleegde Leviet oordeelt — gelijk wij onder liet onvermijdelijk geraas der terugkeerenden nog juist kunnen hooren — de zaak niet zwaar. Ware zij weduwe, dan ware zij vrij tot handelen. Had haar man gezwegen, dan ware hij stilzwijgend gebonden geweest. Maar indien de vader eener ongehuwde of de man eener gehuwde toestemming weigeren, is de vrouw onbevoegd te achten. Dit is hier het geval; Xangema heeft dus ongelijk, en de gelofte van Joëls vrouw is derhalve als niet gedaan te beschouwen.

Hoe voorzichtig heeft Gods Wet toch alles voorzien ■en ook zelfs tegen schijnbaar lofwaardige excessen van gemoedelijke overspanning gewaakt! Hoe blijkt in de Wetsrollen van Hebrons Oudsten alle eigenwillige Godsdienst veroordeeld, en alleen dat werk een goed werk, dat „naar de Wet van God'' geschiedt!

Wat vraagt Gij? Dat wij zullen letten op de zaak, die nu aanvangt? Och, wacht nog even! Want, zie maar, de oude Tsadook daar naast U heeft ons iets te zeggen. En 't is wel een eere, dat hij ons, vreemdelingen, tot zich roepen wil. Trouwens, zoo is dit volk. Geheel ongelijk aan andere volkeren, geven hun wetten ook aan den vreemdeling (dien andere volken vijand achten) een welomschreven positie met duidelijk aangewezen rechten en verplichtingen.

Hoor Tsadook; een grijsaard van zijn jaren, en wiens geheele voorkomen toont, dat hij niet slechts „ bestaan , maar „geleefd" heeft, is wèl waard, dat men op hem let. Wij kunnen daarna weêr den loop der rechtszaken volgen.

„Ik zeide," zoo herhaalt Tsadook met een blik op de teruggekeerde, nog woelende menigte, „ dat ze in de maand Etlianïm van het vorige jaar heel wat langer uitgebleven zijn. Yan hervatting der gedingen was toen geen sprake meer."

Sluiten