Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menigte de door de Wet voorgeschreven woorden uitsprak: „Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze oogen hebben het niet gezien. Wees genadig aan Uw volk Israël, dat Gij, o Jehova verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed in het midden van 1. w volk Israël, 't Was een aangrijpend oogenblik; dat kan ik U verzekeren. Waarlijk, Jehova, is een heilig en rechtvaardig God, en Zijn land een heilig land. Wel gelukkig te prijzen is het volk, dat onder Zijn heilige hoede is, onder een Wetgeving, die het ongestraft blijven van den doodslag zoo uiterst moeilijk maakt!"

„ Heb dank, Tsadook, voor de gouden woorden uit den schat Uwer rijke ervaring. En veroorloof ons nu. acht te geven op de rechtszaak, die inmiddels in behandeling is genomen."

Een oogenblik luisteren brengt ons, gelukkig, op de hoogte: Iemand had een diepen kuil gegraven, en verzuimd , dien behoorlijk te dekken. Een rund van zijn buurman was des nachts in dien kuil gestort, en daar gestorven. De eigenaar van het dier verschijnt nu als klager, en zijn klacht wordt niet wedersproken. De aangeklaagde wil alleen maar, dat hij zich bij het nu eenmaal gebeurde, zonder meer, nederleggen zal. Een der Rechters daarentegen neemt de zaak juist even zwaar op als de beschuldigde licht: Hij meent — in afwijking van het gevoelen zijner ambtgenooten, dat de graver van den kuil moet gesteenigd worden. Uit een afschrift van het tweede boek van Mozes1), door de Levitische bijzitters met eerbied opengerold, wordt de vergissing duidelijk. Indien (behoudens de bepalingen voor de vrijsteden) een mensch door dit verzuim in den kuil den dood gevonden hadde, of indien het rund een mensch doodelijk

1) Exodus 21 : 28—36.

Sluiten