Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eener vrijstad x) niet onwaardig gekeurd en dus aan de Overheid van Hebron aanbevolen is. Twee der aangekomenen keeren hierop naar Thekoang terug; terwijl de derde met een smartelijken blik hen naoogt, zoolang zij in het gezicht zijn. En ook daarna nog in somber gepeins blijft staan, nu een rechtvaardig God wèl hem van een onverdiend doodvonnis gered, maar tevens zijn onvoorzichtigheid met deze vreeselijke ballingschap binnen Hebrons grondgebied zoo ernstig gestraft heeft; want Jehova spaart wel en redt, maar moedigt nooit door straffeloosheid zonde aan.

Hoe gaarne gaf hij al, wat Hebron hem bieden kan, prijs, zoo hij het verledene slechts kon herroepen! Zoo gaarne keerde hij met deze mannen naar Thekoang terug! Hoe vreemd is hem alles hier. En. erger nog, hoe vreeselijk is de reden, die hem dwingt hier te blijven! De koele palmboomen hebben voor hem niets verkwikkends, de rijke divans niets aantrekkelijks, de sterke vestingwerken niets bemoedigends, de roem der eeuwenoude Koningsstad niets belangrijks. Hebron mocht een kamp van woestijnbewoners wezen met wijd uitgezette tenten in de ruime woestijn in plaats van een klein, eng ingeperst, stedeke met nauwe straten, — 't zou er liem niet ruimer om wezen! Hij heeft slechts voor één ding gevoel, als in een benauwden droom: voor den looden last, die hem neerdrukt; voor het pijnigend bewustzijn, dat hij een doodslager is.

En dat nog al hij, die zich steeds zoo had beijverd om Jehova te vreezen en den Koning te dienen. Die tijdens Absjaloms opstand niet in den algemeenen afval was medegesleept. Die in de wetten van Jehova zoozeer zijn vermaak had gehad. Geen gedenkcedel ontbrak aan zijn gebed; geen mezoezah ontbrak aan zijn deurpost;

1) Numeri 35.

Sluiten