Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

De dienstbaarheid in Israël.

I.

„ Het is toch maar waarheid gebleken, wat ik U eergisteren gezegd had! Achban's Uingêzer zal zich morgen het oor laten doorpriemen. Ik heb wel geweten, wat ik zeide, al wilde Atsaljahoe dat niet toestemmen. Natuurlijk laat onder ons volk een slaat zijn oor doorpriemen! Hij kan immers niet beter doen?"

„ Dat zou Atsaljahoe alweder niet met U eens zijn, denk ik, wanneer hij U zoo iets hoorde beweren!'

„ Och, die zoon van Mesjullaam is een echte zoon der tegensprekingen. Maar ik zeg dan maar, dat onder ons een slaaf alleen in naam van een daglooner verschilt. Menig handwerksman mocht willen dat hij het zoo goed had als menige slaaf."

„Dat is veel te veel beweerd, Gij zoon van grootsprekende woorden! Wanneer Gij zegt, dat er streken zijn, waar de slavernij meer van vrijheid verschilt dan bij ons, stem ik U dat volgaarne toe. Maar slavernij boven vrijheid, of ook zelfs maar met vrijheid gelijk te stellen, daartoe is het verschil toch te groot!"

Sluiten