Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mered en Amoots, de twee zonen van Semachja, wier land aan dat van Joël grenst. Zij hadden om een soortgelijk geval nog altijd bitterheid tegen Joël in het hart. Daarom haastte Mered zich om, met Amoots als getuige, Joël te gaan verklagen. Vandaar, dat Joël (hoewel de zaak te midden van een menigte slaven geschied was) niet door slaven maar door vrije stamgenooten werd aangeklaagd.

Maar ik zie daar aan U, dat Gij iets op het hart hebt. Vraag dat den spraakzamen verhaler maar, eer hij zijn mededeeling voortzet.

„Vindt Gij dat vreemd in mijn woorden?" antwoordt de zoon van Chilkijah op Uw vraag. „Wel, dat is bij ons volk volstrekt niet ongewoon. Die slaaf kan in rechten mede optreden. Reeds onze voorvaderen in tlr oordeelden zoo in de dagen van Abraham en Cliammoerabi. Meermalen vindt Gij op hun steenen contracttafelen 1) onder de getuigen een of anderen slaaf als getuige vermeld. Hoeveel te meer kan hij dan ook de bescherming der Wet komen inroepen, al staat hij natuurlijk in menig opzicht achter bij vrijen, en al is gebruik maken van zoodanig recht voor hem dikwijls niet raadzaam.

Mered en Amoots dan, om op mijn verhaal terug te komen, klaagden den rijken Joël aan en zorgden voorde noodige getuigenissen. En nu was de zaak natuurlijk spoedig berecht; want de Wet van Jehova spreekt op dit punt zeer duidelijk. In het boek: „ Dit zijn de namen" 2) heeft Mozes van Godswege menige bepaling gegeven over de behandeling van slaven. En daaronder óók een, die op dit geval van toepassing 3) is. Wel maakte Joël nog een bedenking. De verzameling Spreuken van Goddelijke

1) Zie de uitgaven van Peiser en die van 15. Meissner.

2) Exodus. Aldus genoemd naar de aanvangswoorden.

3) Exodus 21 : 27.

Sluiten