Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Esjthemoang zeker ook wel gedaan hebben. Maai' op een keer, dat Motsa van dat recht gebruik maakte, kwam juist Tirchana daarbij, en verweet in heftige woorden aan Motsa, wat hij diens diefstal noemde. De ander liet dit niet onbeantwoord, en het gevolg van den hoog geloopen twist was een geding voor de oudsten van Bethlehem. Nadat beide partijen aldaar hun zaak bepleit hadden, met vrijwel even gebrekkige gronden aan beweerd gewoonterecht ontleend, lieten de oudsten de Wet des Heeren spreken. Derhalve werd de aanklager in het ongelijk gesteld; want in de wet van Mozes stond het volgende • •• ln het zevende jaar zal voor het land een Sabbath der rust zijn, een Sabbath voor Jehova; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. Wat vanzelf van uw oogst zal gewassen zijn, zuit gij niet inoogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der ruste voor het land zijn. En de inkomst van den Sabbath des lands zal voor u tot spijze zijn, voor u en voor uw slaaf, en voor uw slavin, en voor uw daglooner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdeling verkeert, mitsgaders voor uw vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot spijze zijn.'

In de derde zaak werd de daglooner in het ongelijk gesteld. Maar de rechten der daglooners volgens de Wet kunnen er niettemin duidelijk uit blijken, al had ditmaal een daglooner getracht misbruik van de bescherming der wetten te maken.

Wat was het geval?

De bekende gierigaard Chonanjah had zijn zaak verloren tegen den armen Baroech over het verpanden van een kleed en van een molensteen. En nu had zijn daglooner Jerachmeël te kwader uur gehoopt zijn voordeel te doen met de algemeene verontwaardiging over Chonanjah s schandelijke overtreding der Wet.

Sluiten