Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd vernomen, dat de Wet van Jehova óók hierin voorzien had. In het vijfde boek van Mozes wordt toch gezegd !): „ Doch indien hij een arm man is, zoo zult gij met zijn pand niet nederliggen. Gij zult hem dat pand zekerlijk wedergeven, als de zon ondergaat; dat hij' in zijn kleed nederligge en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht van Jehova, uwen God."

Nauwelijks was de tweede veroordeeling geschied, of de derde aanklacht werd ingebracht: Niet alleen het houden zelf van het pand en het smadelijk afwijzen van Baroech werd door dezen gewraakt; maar ook de ergerlijke wijze waarop de schuldeischer het had ingevorderd. Hij was daartoe Baroechs woning ingedrongen, terwijl deze daartegen protesteerde, en had het met geweld genomen. Een gemompel van verontwaardiging ging straks over in menige luide en scherpe afkeuring. Bij zooveel inhaligheid bovendien nog zoo onbeschaamd geweld? Dat mocht wel de maat tot overloopens vol maken! En zelfs de rechters konden niet nalaten, zekere voldoening te toonen, toen zij den inhaligen geweldenaar ten derden male een vonnis aanzeiden. Ditmaal op grond van de volgende Wetsbepaling2): „Wanneer gij aan uw naaste iets zult geleend hebben, zoo zult gij tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te nemen. Buiten zult gij staan, en de man, dien gij geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen."

Ontrust en beschaamd wilde de oude booswicht wegsluipen onder de verre van ondubbelzinnige teekenen der verachting zijner stadgenooten; maar het scheen wel, of de maat zijner tegenspoeden op dezen ongeluksdag niet

1) Deuteronomium 24 : 12, 13.

2) Deuteronomium 24 : 10, 11.

Sluiten