Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Phoeniciër, die hem aan Eljakim leverde, had hem zelf weêr eerlijk gekocht van een Hethiet uit Kadesj, en dus was er geen enkele rechtsgrond om hem door de Wet van Jehova te doen vrijverklaren; maar dat hij gestolen is door de lieden, die hem aan de gewapende tempelpriesteressen *) in een van de Westelijke heilige steden der Groote Hethiten verkocht hebben toen hij uit Javan 2) naar Asi 3) reisde als kind, is voor wie zijn geschiedenis hoort, niet twijfelachtig. Die mensclienroof is een gruwelijk ding! Hij was te Asi in een der havens aan land gegaan voor een oogenblik. Toen hij weêr aan boord wilde komen, nam hem een schuitje op om hem naar het groote schip over te voeren; maar het was zijn eigen schip niet. Hij werd ondanks al zijn verzet gevangen gehouden, en te Ephesus als slaaf verkocht. Ziet Ge? dat is nu een der groote voorrechten van het volk van Jehova's wetgeving, dat daar zulke dingen niet mogelijk zijn. Een enkele maal beproeft iemand het wel eens. De Bedawin-horden van Arabië doen wel eens een poging om slaven te stelen. En of in de streken der Philistijnen en in de landpalen van Tsoor en Tsidoon er nooit eens aan gedacht wordt, zou ik niet durven beweren; maar zulke invallen worden wel teruggeslagen. En een Hebreeër zou het niet wagen, een mensch door diefstal in slavernij te brengen. Daartoe spreekt de Wet veel te nadrukkelijk Gods afkeuring er over uit: „Verder, zoo wie een mensch steelt, hetzij dat hij dien verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zekerlijk gedood worden," zegt het boek „ Dit nu zijn de namen" 4). En op een andere plaats in de Wetten van

1) Vandaar waarschijnlijk de Grieksclie fabel van de Amazonen.

2) Griekenland.

3) Cyprus.

4) Exodus 21 : 16.

Sluiten