Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om uit zijn huis of uit zijn landgoed angstkreten, gegil of gebrul te liooren opstijgen. Yoor Jehosjuang scheen het woord van Koning David niet geschreven te zijn in den Psalm1): „Want Jehova zoekt de bloedstortingen; Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet." Veeleer was het alsof de wijze Koning zijn slavenpersoneel in de gedachten had gehad, toen hij aan het einde zijner regeering in het boek „Prediker" zeide 2): „ Daarna wendde ik mij en zag al de onderdrukkingen. die onder de zon geschieden; en ziet, er waren de tranen der verdrukten, en dergenen, die geen trooster hadden; en aan de zijde hunner verdrukkers was macht; zij daarentegen hadden geen vertrooster." Jehosjuang's naburen waren lang niet allen teerhartig in den omgang met slaven; maar Jehosjuang-ben-Jochdai maakte het hun toch te erg. Niet een, die zich aan zijn onbarmhartige wreedheid niet ergerde. Maar wat was er aan te doen? Jehosjuang's slaven durfden niet getuigen. En wie was anders in de gelegenheid, zoolang er geen bepaalde verminkingen als bewijsstukken konden dienen ? Jehosjuang wist zijn gruwzaamheid altijd zóó te bedrijven. dat wel bij ieder de zedelijke overtuiging bestond, maar steeds alle wettelijk bewijs ontbrak. Dat hij zijn Egyptischen slaaf Xecht-Har-heb allervreeselijkst had doen geeselen om een nietige kleinigheid, dat zijn Egyptische slavin Aoeï goede redenen had om met roodgekreten oogen rond te loopen, dat hij de kracht van zijn reusaehtigen Philistijnschen slaaf Jisjbi-Benoob naar lijf en ziel gebroken had, dat al zijn slaven sidderden, wanneer zij zijn stem maar hoorden — ja zelfs wanneer zij slechts door een ander zijn naam hoorden noemen, dat alles was even bekend als het feit, dat hij slechts

1) Psalm 9 : 13.

2) Prediker 4:1.

Sluiten