Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat Gij doen zult; want het kwaad is ten volle over onzen heer besloten, en over zijn gantsche huis."

Zulk een wijze van spreken getuigt reeds van zeer groote vrijmoedigheid, niet waar? Maar de laatste woorden gaan dit alles nog te boven: „ en hij is een zoon Belials, dat men hem niet mag aanspreken."

Alleen de algemeen bekende onredelijkheid van dezen meester, en de vaste overtuiging, dat ook Abichaïl zelve zoo over hem dacht kunnen zóó vermetele woorden verklaarbaar maken. Abichaïl heeft dan, trouwens, ook, gelijk wij weten, van dezen man aan David getuigd1): „ Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan dezen Belials man, aan Xabaal2); want gelijk zijn naam is, alzoo is hij; zijn naam is Nabaal, en dwaasheid is bij hem." Bij zulk een minachting, en in hun aller doodsgevaar, is verklaarbaar, dat zij de wezenlijk te ver gedreven vrijmoedigheid van dezen slaaf niet laat straffen.

Want hoeveel zachtheid Jehova ook moge bevelen jegens de slaven; Zijn Woord wil toch ook beslist, dat de mindere bescheidenlijk de plaats kenne, die hem past. Wanneer dit wordt voorbijgezien, ontbreekt Gods ernstige berisping niet. Denk maar om het beginsel, dat belichaamd is in het woord van Agur den zoon van Jake 3), volgens wien een van de dingen, waarover zich de aarde ontroert en die zij niet dragen kan, is: „ een slavin, wanneer zij erfgenaam is van haar vrouw."

Geheel de arbeid der slaven is uitteraard een moedeloos werken. Hoop op lossing en de nadering van Sabbathjaar en Jubeljaar mogen een weinig opwekken; maar wat is overigens meer verlammend, dan zonder vooruitzicht, zonder loon, en zonder opzettelijke zelfverloochening voor

1) 1 Samuel 25 : 25.

2) Nabaal beteekent „dwaas" op ieder gebied.

3) Spreuken 30 : 23.

Sluiten