Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om zijn. ontloopen Mitannischen slaaf Toesjratta terug te krijgen. Hij liad niet liet minste vermoeden, dat Toesjratta dacht aan vluchten. Maar bij het huiswaartskeeren \ an Mareesja's slaven werd op zekeren donkeren avond bij zeer ongunstig weder Toesjratta gemist. Hoe men - nog geen vlucht vermoedend — ook wachtte en uitzag. Toesjratta verscheen maar niet. Met het gewone dwaze vertrouwen op de vruchten eener harde behandeling dacht Mareesja nog aan geen ontvluchting. Hij vermoedde, dat Toesjratta eenig ongeval zou overkomen zijn, en ging dus rustig slapen, overtuigd, dat hij den volgenden dag van zijn slaaf (hetzij dan levend of dood) wel iets vernemen zou. Toen hij echter den volgenden morgen nog niets wijzer geworden was, begon hij toch over het mogelijk verlies der in Toesjratta belichaamde marktwaarde zich te ontrusten, en ging onderzoek doen. Pijnlijk zal nog lang de slaaf, die hem vergezelde, zich herinneren, in

hoe vreeselijke woede Mareesja ontstak, toen hij bespeurde,

dat een slaaf van hem had durven wegloopen. Aanstonds liet hij nu den vluchteling vervolgen; maar deze was zijn vervolgers een dag en nacht voor, en scheen wel spoorloos verdwenen.

Vijf jaar later ontmoette Mareesja eenigen Phoenicische kooplieden uit Tsoor, die van Bëeersjêbang naar hun land wederkeerden. Zij hadden te Karmel iemand aangetroffen, over wien zij een en ander mededeelden, zonder te vermoeden, hoeveel belang Mareesja stelde in hun verhaal. Het was een zekere Toesjratta; en hij scheen wel Arameesch bloed in de aderen te hebben. Hij woonde te Lachisj.

Met moeite bedwong zich Mareesja, totdat het gespiek ten einde was. Toen de Tyriërs Noordwaarts togen, riep hij zijn slaven bijeen en trok met vijf hunner, en met zijn bloedvriend Elimelech benevens acht van diens slaven

Sluiten