Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor wie zich/elven verkoopen om geldelijken steun, heeft dit natuurlijk als schaduwzijde, dat er allicht mede rekening gehouden wordt hij het schatten van hun geldswaarde. Maar wie door gedwongen verkoop in slavernij geraakte, of wie een harde meesteres of een strengen meester trof, ondervindt door de instelling van deze vrijlating des Jubeljaars een onwaardeerbaren zegen. Des te heerlijker, omdat dan ook bijna alle verkochte bezittingen kosteloos terugkomen in het bezit der oorspronkelijke eigenaars.

Bij het Sabbathjaar der slaven, het zevende na hun in dienstbaarheid komen, geldt deze laatste bepaling natuurlijk niet. Daarom heeft Gods Wet hierin voorzien x). Hoor slechts deze aanhaling : „ Wanneer 1 w broeder, een Hebreeër, of een Hebreeïnne, aan L verkocht zal zijn, zoo zal hij U zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van U laten gaan. En als Gij hem vrij van U gaan laat, zoo zult Gij hem niet ledig laten gaan. Gij zult hem rijkelijk opleggen van Uw kudde,, en van Uw dorschvloer, en van Uw wijnpers; waarin U Jehova, Uw God, gezegend heeft, daarvan zult Gij hem geven. En Gij zult gedenken, dat Gij in Egypteland slaat geweest zijt, en dat U Jehova, Uw God, verlost heeft; daarom gebied ik 1 heden deze zaak.

De verarmde broeder krijgt dus bij zijn vrijlating een uitzet mede, om daarmede een nieuw leven aan te vangen. Natuurlijk zal de berekening daarvan ongelijk zijn, naarmate de eigenaar goedgeefsch is, en naarmate de slaaf gediend heeft. Zoo zullen de verarmden zooveel mogelijk uitzien, aan wien zij zich aanbieden; een soort oordeel over de meesters alzoo. En desgelijks zullen de Hebreeuwsche slaven in liun dienstijver mede rekening houden met

1) Deuteronomiiun 15 : 1*2—15.

Sluiten