Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Elingêzer is, nu ruim vijf jaren geleden, met Achban op een verren weg getogen. Allereerst naar de landpalen der Hethiten ') om daar Egyptische paarden te verhandelen. Straks al verder de landen der verschillende Hethitenstammen in: Van Kadesj naar Hamath, van Hamath naar Toenip, van Toenip naar Karchemisj, van Karchemisj naar de streken nabij het meer van Van. Daar was Eliëzer onderweg ziek geworden door moeraskoortsen opgedaan aan de oevers van de rivier Phrath. De streek was zeer ongezond, en bedreigde het leven van wie ter krankenverzorging er toeven mocht. Ook was het er verre van veilig; want de lieden dezer streek, die door de Assyriërs den naam van de veel meer Zuidelijk gelegen Ararat-bergen bekwam, maar vóór dien tijd naar het meer van Van genoemd werd, waren verre van vredelievend. Vanniten en Hethiten vielen elkander telkens aan; buitenlandsche kooplieden tot de Hethiten gekomen. waren hier dus geen oogenblik buiten gevaar. Redenen te over, waarom Achban hier Elingêzer maar aan zijn lot zou hebben overgelaten. Maar Achban bedacht, dat Elingêzer ook een Hebreeër was, al was hij een slaaf. Hij bleef bij den kranke, beschermde hem tegen een horde Vanniten, die een strooptocht deed naar Paloe aan de rivier Phrath 2). Tijdverlies, geldverlies, zwakheid, noch gevaar konden den trouwen verpleger wegdrijven van het ziekbed van zijn slaaf. Na vele weken kon eindelijk de terugreis langzaam aanvaard. En, na eenige maanden langer te zijn uitgebleven, dan de reis in gewone omstandigheden zou gevorderd hebben, betraden de reizigers eindelijk weder Juda's bodem, dien zij bijna niet meer gedacht hadden, immer weder te zien.

1) 1 Koningen 10 : 29.

2) Niet zeer lang na Asa's dood drong Menoeas met zijn Vanniten de landen der Hethiten binnen. En hij en zijn zoon Argistio I veroverden zelfs Paloe.

Sluiten